BWBR0048897
Geldig vanaf 2023-11-17
Artikel 6
Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget
1. De ontvanger realiseert de gebiedsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de gebiedsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
3. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2034.
4. De ontvanger realiseert de gebiedsmaatregelen uiterlijk op 31 december 2039.
5. Op het moment dat de woningen op de woningbouwlocatie zijn gerealiseerd bedraagt het aantal op de woningbouwlocatie gerealiseerde betaalbare woningen ten minste 50 procent van het totaal van de op de woningbouwlocatie gerealiseerde woningen.
6. De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
a. de realisatie van de gebiedsmaatregelen bij de woningbouwlocatie niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden gestart of afgerond;
b. de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart;
c. het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen of het genoemde aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie niet of niet geheel zal worden gerealiseerd;
d. niet aan andere bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.
7. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zesde lid, jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de gebiedsmaatregelen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie.
8. De minister kan nadere voorschriften aan de specifieke uitkering verbinden, waarbij in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het vijfde lid.
2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de gebiedsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
3. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2034.
4. De ontvanger realiseert de gebiedsmaatregelen uiterlijk op 31 december 2039.
5. Op het moment dat de woningen op de woningbouwlocatie zijn gerealiseerd bedraagt het aantal op de woningbouwlocatie gerealiseerde betaalbare woningen ten minste 50 procent van het totaal van de op de woningbouwlocatie gerealiseerde woningen.
6. De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
a. de realisatie van de gebiedsmaatregelen bij de woningbouwlocatie niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden gestart of afgerond;
b. de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart;
c. het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen of het genoemde aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie niet of niet geheel zal worden gerealiseerd;
d. niet aan andere bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.
7. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zesde lid, jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de gebiedsmaatregelen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie.
8. De minister kan nadere voorschriften aan de specifieke uitkering verbinden, waarbij in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het vijfde lid.