BWBR0048897
Geldig vanaf 2023-11-17
Artikel 10
Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget
1. De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve vast uiterlijk 31 december van het jaar waarop de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 9heeft plaatsgevonden.
2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 9, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 6of artikel 8. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per gebiedsmaatregel.
3. Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:
a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering en het uitgekeerde voorschot daarvan; en
b. indien van toepassing, het terug te vorderen bedrag.
4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke gebiedsmaatregel de vaststelling ziet.
5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen.
6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het daadwerkelijke resterend financiële tekort per woningbouwlocatie lager is dan het voorziene resterend financiële tekort, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel f, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 4 tweede lid, onderdeel g, van het resterend financiële tekort.
2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 9, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 6of artikel 8. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per gebiedsmaatregel.
3. Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:
a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering en het uitgekeerde voorschot daarvan; en
b. indien van toepassing, het terug te vorderen bedrag.
4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke gebiedsmaatregel de vaststelling ziet.
5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen.
6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het daadwerkelijke resterend financiële tekort per woningbouwlocatie lager is dan het voorziene resterend financiële tekort, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel f, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 4 tweede lid, onderdeel g, van het resterend financiële tekort.