BWBR0048350
Geldig vanaf 2023-09-26
Artikel 1a.4
Regeling Tijdelijke wet Groningen
1. Een bijzondere situatie kan bij het Instituut worden aangedragen door:
a. een burgemeester van een gemeente in het gebied waar het Instituut het bewijsvermoeden, bedoeld in artikel 177a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, toepast en waarin de benadeelde woonachtig is;
b. de Nationale ombudsman, bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman; of
c. regionale zorg- en hulpverleners.
2. Een vastgelopen situatie kan bij het Instituut worden aangedragen door:
a. een burgemeester van een gemeente, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
b. de Minister; of
c. het Instituut.
a. een burgemeester van een gemeente in het gebied waar het Instituut het bewijsvermoeden, bedoeld in artikel 177a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, toepast en waarin de benadeelde woonachtig is;
b. de Nationale ombudsman, bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman; of
c. regionale zorg- en hulpverleners.
2. Een vastgelopen situatie kan bij het Instituut worden aangedragen door:
a. een burgemeester van een gemeente, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
b. de Minister; of
c. het Instituut.