BWBR0048295
Geldig vanaf 2023-06-20
Artikel 6
Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom
1. De penvoerder informeert de minister binnen twee maanden na de vaststelling van de subsidie over wie de coördinator is, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel f.
2. Binnen drie jaar na de vaststelling van de subsidie:
a. ontwikkelt de penvoerder de aansluitende opleidingsroute;
b. begint de penvoerder met de uitvoering van de aansluitende opleidingsroute; en
c. zendt de penvoerder een beschrijving van de opbouw en de inrichting van de onderwijsprogramma’s waarvoor de aansluitende opleidingsroute is ontwikkeld aan de Minister.
3. De penvoerder begint binnen één jaar na de vaststelling van de subsidie met uitvoering van de activiteiten.
4. Onverminderd artikel 9verstrekt de penvoerder namens alle aan het samenwerkingsverband deelnemende onderwijsinstellingen jaarlijks de volgende informatie aan de minister:
a. de status van de realisatie en de bijbehorende planning van de aansluitende opleidingsroute;
b. de uitgevoerde activiteiten tot dan toe;
c. de potentiële risico’s voor de voortgang; en
d. een overzicht van eventueel aanvullend benodigde acties om de doelen te bereiken.
5. De penvoerder verstrekt de informatie, bedoeld in het derde lid:
a. binnen zes weken vóór het verstrijken van een jaar na vaststelling van de subsidie;
b. binnen zes weken vóór het verstrijken van twee jaar na vaststelling van de subsidie; en
c. binnen zes weken vóór het verstrijken van drie jaar na vaststelling van de subsidie, waarbij de beschrijving van de voortgang en eventueel aanvullend benodigde acties, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en d, betrekking heeft op de uitvoering en verduurzaming van de aansluitende opleidingsroute na afloop van de subsidieperiode.
6. De penvoerder werkt mee aan:
a. onderzoek dat de totstandkoming, inhoud en opbouw van de aansluitende opleidingsroutes in kaart brengt; en
b. kennisdeling en andere activiteiten rondom aansluitende opleidingsroutes die gedurende en na de subsidieperiode door de minister worden georganiseerd.
7. De penvoerder is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke van de onderwijsinstellingen binnen het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
2. Binnen drie jaar na de vaststelling van de subsidie:
a. ontwikkelt de penvoerder de aansluitende opleidingsroute;
b. begint de penvoerder met de uitvoering van de aansluitende opleidingsroute; en
c. zendt de penvoerder een beschrijving van de opbouw en de inrichting van de onderwijsprogramma’s waarvoor de aansluitende opleidingsroute is ontwikkeld aan de Minister.
3. De penvoerder begint binnen één jaar na de vaststelling van de subsidie met uitvoering van de activiteiten.
4. Onverminderd artikel 9verstrekt de penvoerder namens alle aan het samenwerkingsverband deelnemende onderwijsinstellingen jaarlijks de volgende informatie aan de minister:
a. de status van de realisatie en de bijbehorende planning van de aansluitende opleidingsroute;
b. de uitgevoerde activiteiten tot dan toe;
c. de potentiële risico’s voor de voortgang; en
d. een overzicht van eventueel aanvullend benodigde acties om de doelen te bereiken.
5. De penvoerder verstrekt de informatie, bedoeld in het derde lid:
a. binnen zes weken vóór het verstrijken van een jaar na vaststelling van de subsidie;
b. binnen zes weken vóór het verstrijken van twee jaar na vaststelling van de subsidie; en
c. binnen zes weken vóór het verstrijken van drie jaar na vaststelling van de subsidie, waarbij de beschrijving van de voortgang en eventueel aanvullend benodigde acties, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en d, betrekking heeft op de uitvoering en verduurzaming van de aansluitende opleidingsroute na afloop van de subsidieperiode.
6. De penvoerder werkt mee aan:
a. onderzoek dat de totstandkoming, inhoud en opbouw van de aansluitende opleidingsroutes in kaart brengt; en
b. kennisdeling en andere activiteiten rondom aansluitende opleidingsroutes die gedurende en na de subsidieperiode door de minister worden georganiseerd.
7. De penvoerder is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke van de onderwijsinstellingen binnen het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.