BWBR0048295
Geldig vanaf 2023-06-20
Artikel 3
Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom
1. De minister kan aan de penvoerder van een samenwerkingsverband subsidie verstrekken voor het ontwikkelen en duurzaam uitvoeren van een aansluitende opleidingsroute voor leerlingen en studenten.
2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit één school of vavo-instelling, één mbo-instelling en één hogeschool, waarbij de mbo-instelling en de vavo-instelling niet dezelfde instelling zijn.
3. De aansluitende opleidingsroute, bedoeld in het eerste lid:
a. omvat qua inhoud en opzet op elkaar afgestemde onderwijsprogramma’s voor één of meer vo-, vso- of vavo-opleidingen, één of meer mbo-opleidingen en één of meer hbo-opleidingen;
b. leidt op tot beroepen in één of meer tekortsectoren of één of meer sectoren waarvan kan worden aangetoond dat daarvoor een tekort op de arbeidsmarkt is binnen het voedingsgebied op basis van betrouwbare en controleerbare bronnen;
c. houdt vanaf het vo, vso of vavo al rekening met mogelijke doorstroom naar het hbo via het mbo, naast blijvende aandacht voor gediplomeerde uitstroom naar werk;
d. bevat gezamenlijke leercontexten of leeromgevingen waarin leerlingen en studenten van de verschillende onderwijsinstellingen nader met elkaar kennismaken, ontdekken hoe vervolgopleidingen zijn of samen praktijk- en onderzoeksopdrachten uitvoeren;
e. bevat een doorlopende lijn voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding, waarbinnen door de onderwijsinstellingen waar mogelijk over instellingsgrenzen wordt samengewerkt; en
f. wordt door een door het samenwerkingsverband aangestelde coördinator gecoördineerd, die tevens dient als contactpersoon voor de minister.
4. De opleidingen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, waarvoor de aansluitende opleidingsroute zal worden ontwikkeld en uitgevoerd, voldoen in ieder geval aan de volgende vereisten:
a. zijn inhoudelijk aan elkaar verwant of sluiten anderszins logisch op elkaar aan, blijkend uit doorstroom in de praktijk;
b. de gekozen hbo-opleiding of hbo-opleidingen leiden op tot beroepen in één of meer tekortsectoren of één of meer sectoren waarvan kan worden aangetoond dat daarvoor een tekort op de arbeidsmarkt is binnen het voedingsgebied van de penvoerder op basis van betrouwbare en controleerbare bronnen;
c. in de mbo-opleiding of mbo-opleidingen zijn in totaal minimaal dertig studenten ingeschreven die afkomstig zijn van de scholen of vavo-instellingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, waarbij er van iedere school of vavo-instelling ten minste één leerling of student afkomstig is;
d. in de hbo-opleiding of hbo-opleidingen zijn in totaal minimaal vijftien studenten ingeschreven die afkomstig zijn van de mbo-instellingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, waarbij er van iedere mbo-instelling ten minste één student afkomstig is;
e. in de mbo-opleiding of mbo-opleidingen is sprake van een uitval- en switchpercentage van meer dan 15% van de studenten; en
f. in de hbo-opleiding of hbo-opleidingen sprake is van een uitval- en switchpercentage van meer dan 15% van de studenten.
5. Onder uitval en switch wordt in het vierde lid, onderdelen e en f, verstaan dat een student tijdens het eerste jaar is gestopt met de opleiding of tijdens het eerste jaar is gewisseld naar een opleiding in een andere sectorkamer of ander sectoronderdeel.
6. In afwijking van het vierde lid:
a. is het minimale totaalaantal studenten, genoemd in het vierde lid, onderdelen c en d, vijftien in plaats van dertig respectievelijk acht in plaats van vijftien, indien: 1°. aan de aan het samenwerkingsverband deelnemende mbo-instellingen per mbo-instelling minder dan 10.000 studenten zijn ingeschreven; en
2°. de prognose is dat het aantal studenten aan elk van die mbo-instellingen tot 2037 met minimaal 5% zal afnemen;
1°. aan de aan het samenwerkingsverband deelnemende mbo-instellingen per mbo-instelling minder dan 10.000 studenten zijn ingeschreven; en
2°. de prognose is dat het aantal studenten aan elk van die mbo-instellingen tot 2037 met minimaal 5% zal afnemen;
b. is het minimale aantal studenten dat afkomstig is van elke onderwijsinstelling, genoemd in het vierde lid, onderdelen c en d, alsmede het minimale uitval- en switchpercentage, genoemd in het vierde lid, onderdeel e, niet van toepassing op onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland.
7. De minister baseert zich voor de beoordeling:
a. van de aantallen en percentages, bedoeld in het vierde lid, onderdelen c tot en met f, en zesde lid, onderdeel a, onder 1°: op de bij de minister bekende gegevens op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de aanvraag, die zijn te raadplegen op www.dus-i.nl; en
b. van de prognose, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, onder 2°: op de bij de minister bekende gegevens op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de aanvraag, die zijn te raadplegen op https://duo.nl/open_onderwijsdata/middelbaar-beroepsonderwijs/aantal-studenten/studenten-mbo-tellingen-prognoses.jsp.
2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit één school of vavo-instelling, één mbo-instelling en één hogeschool, waarbij de mbo-instelling en de vavo-instelling niet dezelfde instelling zijn.
3. De aansluitende opleidingsroute, bedoeld in het eerste lid:
a. omvat qua inhoud en opzet op elkaar afgestemde onderwijsprogramma’s voor één of meer vo-, vso- of vavo-opleidingen, één of meer mbo-opleidingen en één of meer hbo-opleidingen;
b. leidt op tot beroepen in één of meer tekortsectoren of één of meer sectoren waarvan kan worden aangetoond dat daarvoor een tekort op de arbeidsmarkt is binnen het voedingsgebied op basis van betrouwbare en controleerbare bronnen;
c. houdt vanaf het vo, vso of vavo al rekening met mogelijke doorstroom naar het hbo via het mbo, naast blijvende aandacht voor gediplomeerde uitstroom naar werk;
d. bevat gezamenlijke leercontexten of leeromgevingen waarin leerlingen en studenten van de verschillende onderwijsinstellingen nader met elkaar kennismaken, ontdekken hoe vervolgopleidingen zijn of samen praktijk- en onderzoeksopdrachten uitvoeren;
e. bevat een doorlopende lijn voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding, waarbinnen door de onderwijsinstellingen waar mogelijk over instellingsgrenzen wordt samengewerkt; en
f. wordt door een door het samenwerkingsverband aangestelde coördinator gecoördineerd, die tevens dient als contactpersoon voor de minister.
4. De opleidingen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, waarvoor de aansluitende opleidingsroute zal worden ontwikkeld en uitgevoerd, voldoen in ieder geval aan de volgende vereisten:
a. zijn inhoudelijk aan elkaar verwant of sluiten anderszins logisch op elkaar aan, blijkend uit doorstroom in de praktijk;
b. de gekozen hbo-opleiding of hbo-opleidingen leiden op tot beroepen in één of meer tekortsectoren of één of meer sectoren waarvan kan worden aangetoond dat daarvoor een tekort op de arbeidsmarkt is binnen het voedingsgebied van de penvoerder op basis van betrouwbare en controleerbare bronnen;
c. in de mbo-opleiding of mbo-opleidingen zijn in totaal minimaal dertig studenten ingeschreven die afkomstig zijn van de scholen of vavo-instellingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, waarbij er van iedere school of vavo-instelling ten minste één leerling of student afkomstig is;
d. in de hbo-opleiding of hbo-opleidingen zijn in totaal minimaal vijftien studenten ingeschreven die afkomstig zijn van de mbo-instellingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, waarbij er van iedere mbo-instelling ten minste één student afkomstig is;
e. in de mbo-opleiding of mbo-opleidingen is sprake van een uitval- en switchpercentage van meer dan 15% van de studenten; en
f. in de hbo-opleiding of hbo-opleidingen sprake is van een uitval- en switchpercentage van meer dan 15% van de studenten.
5. Onder uitval en switch wordt in het vierde lid, onderdelen e en f, verstaan dat een student tijdens het eerste jaar is gestopt met de opleiding of tijdens het eerste jaar is gewisseld naar een opleiding in een andere sectorkamer of ander sectoronderdeel.
6. In afwijking van het vierde lid:
a. is het minimale totaalaantal studenten, genoemd in het vierde lid, onderdelen c en d, vijftien in plaats van dertig respectievelijk acht in plaats van vijftien, indien: 1°. aan de aan het samenwerkingsverband deelnemende mbo-instellingen per mbo-instelling minder dan 10.000 studenten zijn ingeschreven; en
2°. de prognose is dat het aantal studenten aan elk van die mbo-instellingen tot 2037 met minimaal 5% zal afnemen;
1°. aan de aan het samenwerkingsverband deelnemende mbo-instellingen per mbo-instelling minder dan 10.000 studenten zijn ingeschreven; en
2°. de prognose is dat het aantal studenten aan elk van die mbo-instellingen tot 2037 met minimaal 5% zal afnemen;
b. is het minimale aantal studenten dat afkomstig is van elke onderwijsinstelling, genoemd in het vierde lid, onderdelen c en d, alsmede het minimale uitval- en switchpercentage, genoemd in het vierde lid, onderdeel e, niet van toepassing op onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland.
7. De minister baseert zich voor de beoordeling:
a. van de aantallen en percentages, bedoeld in het vierde lid, onderdelen c tot en met f, en zesde lid, onderdeel a, onder 1°: op de bij de minister bekende gegevens op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de aanvraag, die zijn te raadplegen op www.dus-i.nl; en
b. van de prognose, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, onder 2°: op de bij de minister bekende gegevens op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de aanvraag, die zijn te raadplegen op https://duo.nl/open_onderwijsdata/middelbaar-beroepsonderwijs/aantal-studenten/studenten-mbo-tellingen-prognoses.jsp.