BWBR0048191
Geldig vanaf 2023-05-25
Artikel 35
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023
1. De uitoefening van bevoegdheden die bij of krachtens dit besluit zijn verleend, geschiedt met inachtneming van:
a. de door de bewindspersoon, secretaris-generaal, plaatsvervangend secretaris-generaal diensthoofden, dienstonderdeelhoofden en secretarissen van de adviesorganen gegeven algemene of bijzondere instructies;
b. de gestelde kaders ten aanzien van inkoop en aanbesteding;
c. de van toepassing zijnde begrotingswet en de daarbij gegeven financiële ruimte;
d. de toegekende budgetten op basis van het geldende jaarplan;
e. het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2016 en de aanwijzingen van de concerndirecteur Financieel-Economische Zaken op grond van die wet en de daarop berustende regelgeving;
f. het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021 en het Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021; en
g. de overige ter zake geldende wet- en regelgeving en beleidsregels.
2. Een functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, oefent de aan zijn functie verleende bevoegdheden slechts uit wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.
a. de door de bewindspersoon, secretaris-generaal, plaatsvervangend secretaris-generaal diensthoofden, dienstonderdeelhoofden en secretarissen van de adviesorganen gegeven algemene of bijzondere instructies;
b. de gestelde kaders ten aanzien van inkoop en aanbesteding;
c. de van toepassing zijnde begrotingswet en de daarbij gegeven financiële ruimte;
d. de toegekende budgetten op basis van het geldende jaarplan;
e. het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2016 en de aanwijzingen van de concerndirecteur Financieel-Economische Zaken op grond van die wet en de daarop berustende regelgeving;
f. het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021 en het Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021; en
g. de overige ter zake geldende wet- en regelgeving en beleidsregels.
2. Een functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, oefent de aan zijn functie verleende bevoegdheden slechts uit wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.