BWBR0048123
Geldig vanaf 2023-05-03
Artikel 5
Subsidieregeling Ontwikkelkracht
De aanvraag bestaat uit een activiteitenplan, waarin onverminderd artikel 3.4 van de Kaderregelingten minste wordt opgenomen:
a. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, onder 1°: 1°. een onderbouwing met ondersteunend bewijs, zoals resultaten op teamniveau of leerlingniveau, dat de desbetreffende vestiging expertise heeft op een bepaald terrein binnen het gebied van het programma Ontwikkelkracht;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging een goede onderzoeks- en verbetercultuur in het schoolteam heeft;
4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging evidence-informed werkt;
1°. een onderbouwing met ondersteunend bewijs, zoals resultaten op teamniveau of leerlingniveau, dat de desbetreffende vestiging expertise heeft op een bepaald terrein binnen het gebied van het programma Ontwikkelkracht;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging een goede onderzoeks- en verbetercultuur in het schoolteam heeft;
4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging evidence-informed werkt;
b. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, onder 2°: 1°. een onderbouwing die inzicht geeft in welke vraag de vestiging heeft op het gebied van het versterken van haar onderzoeks- en verbetercultuur;
2°. een ontwikkeldoel gericht op leerwinst;
3°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke personen op de vestiging betrokken zijn, op welke manier schoolleiding en schoolbestuur betrokken zijn en welke rol eenieder heeft;
4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor deelname aan het traject, en dat de onderwijsprofessionals, de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat voldoende tijd zal worden vrijgemaakt voor de leraren en schoolleiding op de vestiging voor deelname aan het traject;
6°. een onderbouwing die inzicht geeft in welke middelen schoolleiding en schoolbestuur eventueel moeten reserveren om materiele kosten te dekken die noodzakelijk zijn voor het traject en hoe zij deze beschikbaar stelt aan het team;
7°. een uiteenzetting die inzicht geeft in hoe op de vestiging het traject organisatorisch wordt vormgegeven;
1°. een onderbouwing die inzicht geeft in welke vraag de vestiging heeft op het gebied van het versterken van haar onderzoeks- en verbetercultuur;
2°. een ontwikkeldoel gericht op leerwinst;
3°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke personen op de vestiging betrokken zijn, op welke manier schoolleiding en schoolbestuur betrokken zijn en welke rol eenieder heeft;
4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor deelname aan het traject, en dat de onderwijsprofessionals, de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat voldoende tijd zal worden vrijgemaakt voor de leraren en schoolleiding op de vestiging voor deelname aan het traject;
6°. een onderbouwing die inzicht geeft in welke middelen schoolleiding en schoolbestuur eventueel moeten reserveren om materiele kosten te dekken die noodzakelijk zijn voor het traject en hoe zij deze beschikbaar stelt aan het team;
7°. een uiteenzetting die inzicht geeft in hoe op de vestiging het traject organisatorisch wordt vormgegeven;
c. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, onder 1°: 1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging beschikt over expertise op het thema van het co-creatielab;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging reeds succesvol werkt met evidence-informed aanpakken op het thema van het co-creatielab;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging in staat zou zijn de pilotversie van een aanpak uit het co-creatielab te implementeren en mee te werken aan monitoring en evaluatie;
4°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke personen op de vestiging betrokken zijn, welke rol eenieder heeft en op welke manier schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is samen met andere vestigingen en onderzoekers te werken aan aanpakken op het thema van het desbetreffende co-creatielab;
6°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging aantoonbare ervaring heeft met samenwerking met wetenschappelijke onderzoekers.
1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging beschikt over expertise op het thema van het co-creatielab;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging reeds succesvol werkt met evidence-informed aanpakken op het thema van het co-creatielab;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging in staat zou zijn de pilotversie van een aanpak uit het co-creatielab te implementeren en mee te werken aan monitoring en evaluatie;
4°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke personen op de vestiging betrokken zijn, welke rol eenieder heeft en op welke manier schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is samen met andere vestigingen en onderzoekers te werken aan aanpakken op het thema van het desbetreffende co-creatielab;
6°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging aantoonbare ervaring heeft met samenwerking met wetenschappelijke onderzoekers.
d. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, onder 2°: 1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is samen met andere vestigingen en onderzoekers te werken aan aanpakken op het thema van het desbetreffende co-creatielab;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging bereid en in staat is om actief deel te nemen aan het traject van vraagarticulatie;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject.
1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is samen met andere vestigingen en onderzoekers te werken aan aanpakken op het thema van het desbetreffende co-creatielab;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging bereid en in staat is om actief deel te nemen aan het traject van vraagarticulatie;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject.
a. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, onder 1°: 1°. een onderbouwing met ondersteunend bewijs, zoals resultaten op teamniveau of leerlingniveau, dat de desbetreffende vestiging expertise heeft op een bepaald terrein binnen het gebied van het programma Ontwikkelkracht;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging een goede onderzoeks- en verbetercultuur in het schoolteam heeft;
4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging evidence-informed werkt;
1°. een onderbouwing met ondersteunend bewijs, zoals resultaten op teamniveau of leerlingniveau, dat de desbetreffende vestiging expertise heeft op een bepaald terrein binnen het gebied van het programma Ontwikkelkracht;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging een goede onderzoeks- en verbetercultuur in het schoolteam heeft;
4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging evidence-informed werkt;
b. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, onder 2°: 1°. een onderbouwing die inzicht geeft in welke vraag de vestiging heeft op het gebied van het versterken van haar onderzoeks- en verbetercultuur;
2°. een ontwikkeldoel gericht op leerwinst;
3°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke personen op de vestiging betrokken zijn, op welke manier schoolleiding en schoolbestuur betrokken zijn en welke rol eenieder heeft;
4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor deelname aan het traject, en dat de onderwijsprofessionals, de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat voldoende tijd zal worden vrijgemaakt voor de leraren en schoolleiding op de vestiging voor deelname aan het traject;
6°. een onderbouwing die inzicht geeft in welke middelen schoolleiding en schoolbestuur eventueel moeten reserveren om materiele kosten te dekken die noodzakelijk zijn voor het traject en hoe zij deze beschikbaar stelt aan het team;
7°. een uiteenzetting die inzicht geeft in hoe op de vestiging het traject organisatorisch wordt vormgegeven;
1°. een onderbouwing die inzicht geeft in welke vraag de vestiging heeft op het gebied van het versterken van haar onderzoeks- en verbetercultuur;
2°. een ontwikkeldoel gericht op leerwinst;
3°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke personen op de vestiging betrokken zijn, op welke manier schoolleiding en schoolbestuur betrokken zijn en welke rol eenieder heeft;
4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor deelname aan het traject, en dat de onderwijsprofessionals, de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat voldoende tijd zal worden vrijgemaakt voor de leraren en schoolleiding op de vestiging voor deelname aan het traject;
6°. een onderbouwing die inzicht geeft in welke middelen schoolleiding en schoolbestuur eventueel moeten reserveren om materiele kosten te dekken die noodzakelijk zijn voor het traject en hoe zij deze beschikbaar stelt aan het team;
7°. een uiteenzetting die inzicht geeft in hoe op de vestiging het traject organisatorisch wordt vormgegeven;
c. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, onder 1°: 1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging beschikt over expertise op het thema van het co-creatielab;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging reeds succesvol werkt met evidence-informed aanpakken op het thema van het co-creatielab;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging in staat zou zijn de pilotversie van een aanpak uit het co-creatielab te implementeren en mee te werken aan monitoring en evaluatie;
4°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke personen op de vestiging betrokken zijn, welke rol eenieder heeft en op welke manier schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is samen met andere vestigingen en onderzoekers te werken aan aanpakken op het thema van het desbetreffende co-creatielab;
6°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging aantoonbare ervaring heeft met samenwerking met wetenschappelijke onderzoekers.
1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging beschikt over expertise op het thema van het co-creatielab;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging reeds succesvol werkt met evidence-informed aanpakken op het thema van het co-creatielab;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging in staat zou zijn de pilotversie van een aanpak uit het co-creatielab te implementeren en mee te werken aan monitoring en evaluatie;
4°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke personen op de vestiging betrokken zijn, welke rol eenieder heeft en op welke manier schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;
5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is samen met andere vestigingen en onderzoekers te werken aan aanpakken op het thema van het desbetreffende co-creatielab;
6°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging aantoonbare ervaring heeft met samenwerking met wetenschappelijke onderzoekers.
d. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, onder 2°: 1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is samen met andere vestigingen en onderzoekers te werken aan aanpakken op het thema van het desbetreffende co-creatielab;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging bereid en in staat is om actief deel te nemen aan het traject van vraagarticulatie;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject.
1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is samen met andere vestigingen en onderzoekers te werken aan aanpakken op het thema van het desbetreffende co-creatielab;
2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging bereid en in staat is om actief deel te nemen aan het traject van vraagarticulatie;
3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject.