BWBR0046567
Geldig vanaf 2022-07-01
Artikel 6
Besluit betrouwbaarheid en geschiktheid toezichthouders en bestuurders collectieve beheersorganisaties
1. Het College van Toezicht stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten. Deze vaststelling heeft in elk geval betrekking op de antecedenten, genoemd in de bijlagebij dit besluit.
2. Het College van Toezicht stelt vast of de geschiktheid van een persoon buiten twijfel staat op basis van diens kennis, vaardigheden en professioneel gedrag. De geschiktheid van die persoon blijkt in elk geval uit de opleiding, werkervaring en competenties van de persoon en de doorlopende toepassing hiervan.
3. Het College van Toezicht neemt bij zijn vaststelling, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking:
a. de zwaarte van het antecedent;
b. de ouderdom van het antecedent;
c. de aard van het antecedent; en
d. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval.
4. Het College van Toezicht betrekt bij zijn vaststelling, bedoeld in het eerste en tweede lid, tevens de volgende omstandigheden en belangen:
a. de belangen die de wet beoogt te beschermen;
b. de aard en zwaarte van de functie waarvoor die persoon in aanmerking wordt gebracht;
c. de aard en de omvang van de werkzaamheden van de grote collectieve beheersorganisatie; en
d. de overige belangen van de grote collectieve beheersorganisatie, de persoon, rechthebbenden en organisaties die rechthebbenden vertegenwoordigen.
2. Het College van Toezicht stelt vast of de geschiktheid van een persoon buiten twijfel staat op basis van diens kennis, vaardigheden en professioneel gedrag. De geschiktheid van die persoon blijkt in elk geval uit de opleiding, werkervaring en competenties van de persoon en de doorlopende toepassing hiervan.
3. Het College van Toezicht neemt bij zijn vaststelling, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking:
a. de zwaarte van het antecedent;
b. de ouderdom van het antecedent;
c. de aard van het antecedent; en
d. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval.
4. Het College van Toezicht betrekt bij zijn vaststelling, bedoeld in het eerste en tweede lid, tevens de volgende omstandigheden en belangen:
a. de belangen die de wet beoogt te beschermen;
b. de aard en zwaarte van de functie waarvoor die persoon in aanmerking wordt gebracht;
c. de aard en de omvang van de werkzaamheden van de grote collectieve beheersorganisatie; en
d. de overige belangen van de grote collectieve beheersorganisatie, de persoon, rechthebbenden en organisaties die rechthebbenden vertegenwoordigen.