BWBR0046536
Geldig vanaf 2022-04-09
Artikel 5
Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren 2022
1. Zeewaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn in de Noordzee kan een ontgrondingsvergunning worden verleend, met dien verstande dat:
a. voor een ontgronding met een winhoeveelheid van 10 miljoen m3 of meer per vergunningaanvraag; of
b. voor een ontgronding met een windiepte van meer dan twee meter beneden de oorspronkelijke zeebodem of op een plek waar al eerder tot twee meter ontgrond is,
uitsluitend een vergunning kan worden verleend indien de ontgronding ten minste 2 kilometer zeewaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn plaatsvindt.
2. Landwaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn in de Noordzee kan alleen een vergunning worden verleend voor:
a. de zandwinning uit de vaargeulen;
b. het aanleggen van overslagputten voor zover ze zeewaarts van de NAP -7 meter dieptelijn worden aangelegd;
c. de zandwinning waarbij het verwijderen van zand uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging of het in oorspronkelijke staat brengen van de zeebodem van voormalige stortgebieden.
3. Aan een vergunning als bedoeld in het eerste of tweede lid worden de volgende voorschriften verbonden:
a. een overslagput die minder dan een jaar gebruikt wordt, wordt na gebruik in het winterseizoen binnen één maand en na gebruik in het zomerseizoen binnen twee maanden opgevuld met materiaal van buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn;
b. een overslagput die een jaar of langer in gebruik is geweest en naar verwachting gedurende ten minste zes maanden niet meer gebruikt wordt, wordt binnen twee maanden na beëindiging van het gebruik met materiaal van buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn opgevuld tot de oorspronkelijke zeebodemligging.
4. Aan een vergunning als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden ter behoud van de hoeveelheid van het ter plaatse verwijderde zand in het in de aanhef van dat lid bedoelde gebied.
a. voor een ontgronding met een winhoeveelheid van 10 miljoen m3 of meer per vergunningaanvraag; of
b. voor een ontgronding met een windiepte van meer dan twee meter beneden de oorspronkelijke zeebodem of op een plek waar al eerder tot twee meter ontgrond is,
uitsluitend een vergunning kan worden verleend indien de ontgronding ten minste 2 kilometer zeewaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn plaatsvindt.
2. Landwaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn in de Noordzee kan alleen een vergunning worden verleend voor:
a. de zandwinning uit de vaargeulen;
b. het aanleggen van overslagputten voor zover ze zeewaarts van de NAP -7 meter dieptelijn worden aangelegd;
c. de zandwinning waarbij het verwijderen van zand uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging of het in oorspronkelijke staat brengen van de zeebodem van voormalige stortgebieden.
3. Aan een vergunning als bedoeld in het eerste of tweede lid worden de volgende voorschriften verbonden:
a. een overslagput die minder dan een jaar gebruikt wordt, wordt na gebruik in het winterseizoen binnen één maand en na gebruik in het zomerseizoen binnen twee maanden opgevuld met materiaal van buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn;
b. een overslagput die een jaar of langer in gebruik is geweest en naar verwachting gedurende ten minste zes maanden niet meer gebruikt wordt, wordt binnen twee maanden na beëindiging van het gebruik met materiaal van buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn opgevuld tot de oorspronkelijke zeebodemligging.
4. Aan een vergunning als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden ter behoud van de hoeveelheid van het ter plaatse verwijderde zand in het in de aanhef van dat lid bedoelde gebied.