BWBR0046400
Geldig vanaf 13-04-2023
Artikel 1.6
Regeling Erfgoed Maken
1. Alleen kosten die direct verband houden met de projecten of activiteiten komen in aanmerking voor subsidiëring.
2. Het Fonds verstrekt alleen subsidie als de aanvrager:
a. aantoont dat er een begrotingstekort is en dat ondersteuning door het Fonds nodig is;
b. de mogelijkheid van andere inkomsten dan de gevraagde subsidie onderzoekt, rekening houdend met de aard van het project of de activiteiten; en
c. aannemelijk maakt dat de financiële middelen, samen met de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project of de activiteiten uit te voeren.
3. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk in de subsidieaanvraag kunnen de kosten voor het omwisselen van valuta, voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van het project, opnemen in de subsidieaanvraag.
4. Aanvragers uit het Europees deel van Nederland kunnen maximaal 25% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die nodig zijn voor het project.
5. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen maximaal 45% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die nodig zijn voor het project.
6. De post onvoorzien kan maximaal 7% van de totale projectkosten zijn.
7. Hoofdstuk 2 en de daaropvolgende hoofdstukken kunnen voor de in dat hoofdstuk opgenomen subsidies aanvullende voorwaarden en beperkingen bevatten.
2. Het Fonds verstrekt alleen subsidie als de aanvrager:
a. aantoont dat er een begrotingstekort is en dat ondersteuning door het Fonds nodig is;
b. de mogelijkheid van andere inkomsten dan de gevraagde subsidie onderzoekt, rekening houdend met de aard van het project of de activiteiten; en
c. aannemelijk maakt dat de financiële middelen, samen met de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project of de activiteiten uit te voeren.
3. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk in de subsidieaanvraag kunnen de kosten voor het omwisselen van valuta, voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van het project, opnemen in de subsidieaanvraag.
4. Aanvragers uit het Europees deel van Nederland kunnen maximaal 25% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die nodig zijn voor het project.
5. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen maximaal 45% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die nodig zijn voor het project.
6. De post onvoorzien kan maximaal 7% van de totale projectkosten zijn.
7. Hoofdstuk 2 en de daaropvolgende hoofdstukken kunnen voor de in dat hoofdstuk opgenomen subsidies aanvullende voorwaarden en beperkingen bevatten.
- Citeren als
- Art. 1.6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0046400
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl