BWBR0046190
Geldig vanaf 13-01-2022
Artikel 10
Beleidsregel Controles en Herbeoordelingen (RvA-BR005)
Ten aanzien van de aard, inhoud en omvang van de reguliere beoordelingen gelden de volgende algemene regels:
1. Bij iedere reguliere beoordeling zal het hoofdkantoor op locatie worden beoordeeld.
2. Alle andere locaties die op de scope van accreditatie (zie RvA-BR003) zijn vermeld zullen bij iedere reguliere beoordeling worden beoordeeld. Voor deze locaties geldt dat de RvA kan besluiten deze locaties niet te (laten) bezoeken, maar op afstand te beoordelen, vanuit het hoofdkantoor, indien de RvA bij een eerdere beoordeling heeft vastgesteld dat een efficiënte en effectieve beoordeling op afstand mogelijk is. Iedere locatie die op de scope is vermeld zal echter gedurende de accreditatiecyclus minimaal eenmaal op locatie worden beoordeeld.
3. Van locaties, vanwaar de instelling activiteiten onder accreditatie onderneemt, maar die niet in de scope zijn vermeld omdat deze activiteiten geen kernactiviteiten betreffen (zie RvA-BR003), kunnen steekproeven worden genomen afhankelijk van onder meer: • het karakter en de omvang van de activiteiten op die locaties;
• de mate waarin vanuit het hoofdkantoor van de instelling toezicht op deze activiteiten wordt gehouden;
• omvang en resultaten van interne audits uitgevoerd door het hoofdkantoor op de locatie;
• of de desbetreffende locatie een eigen accreditatie heeft;
• signalen en/of meldingen over de instelling;
• relaties van een locatie met andere organisaties (bijvoorbeeld mogelijke relaties met een adviesorganisatie).
• het karakter en de omvang van de activiteiten op die locaties;
• de mate waarin vanuit het hoofdkantoor van de instelling toezicht op deze activiteiten wordt gehouden;
• omvang en resultaten van interne audits uitgevoerd door het hoofdkantoor op de locatie;
• of de desbetreffende locatie een eigen accreditatie heeft;
• signalen en/of meldingen over de instelling;
• relaties van een locatie met andere organisaties (bijvoorbeeld mogelijke relaties met een adviesorganisatie).
4. Bij iedere reguliere beoordeling zullen steekproeven worden genomen ter verificatie van de implementatie van het managementsysteem en ter verificatie van de technische deskundigheid. Hiertoe worden onder meer steekproeven genomen uit de technische dossiers, personeelsdossiers en kwaliteitsregistraties en kunnen verticale en horizontale audits worden uitgevoerd.
5. Specificatie van de wijze waarop een keuze gemaakt wordt uit de onderdelen van de scope van accreditatie, die gedurende de accreditatiecyclus worden beoordeeld, is gegeven in de specifieke accreditatieprotocollen (SAP’s). Deze protocollen vermelden ook de wijze waarop activiteiten, verrichtingen, schema’s en dergelijke worden geclusterd ten behoeve van de bepaling van de steekproeven die uit de scope van accreditatie worden genomen.
6. De keuze van onderdelen van de accreditatievereisten die bij een reguliere controlebeoordeling worden beoordeeld is zodanig, dat tijdens de controlebeoordelingen in de accreditatiecyclus alle vereisten minimaal eenmaal worden beoordeeld.
7. De onderwerpen interne audits, klachtenbehandeling, corrigerende maatregelen en de directiebeoordeling worden bij iedere reguliere controlebeoordeling beoordeeld. Bij belangrijke wijzigingen in het managementsysteem zullen ook deze wijzigingen worden beoordeeld.
8. De omvang en inhoud van de reguliere beoordelingen zal mede afhankelijk zijn van de resultaten van voorgaande beoordelingen en van informatie die de RvA van derde partijen heeft ontvangen (bijvoorbeeld meldingen en signalen) en van de risico’s die de RvA voor een instelling heeft vastgesteld.
9. In aanvulling op de algemene regels uit dit Artikel zijn voor de verschillende soorten accreditaties de regels in de volgende Artikelen verwoord.
10. Een algemeen overzicht van de documenten die de RvA van de instelling verwacht te ontvangen teneinde een efficiënte en effectieve beoordeling mogelijk te maken is in bijlage 1 opgenomen. De instelling levert de documenten aan, genummerd conform de tabel in deze bijlage.
1. Bij iedere reguliere beoordeling zal het hoofdkantoor op locatie worden beoordeeld.
2. Alle andere locaties die op de scope van accreditatie (zie RvA-BR003) zijn vermeld zullen bij iedere reguliere beoordeling worden beoordeeld. Voor deze locaties geldt dat de RvA kan besluiten deze locaties niet te (laten) bezoeken, maar op afstand te beoordelen, vanuit het hoofdkantoor, indien de RvA bij een eerdere beoordeling heeft vastgesteld dat een efficiënte en effectieve beoordeling op afstand mogelijk is. Iedere locatie die op de scope is vermeld zal echter gedurende de accreditatiecyclus minimaal eenmaal op locatie worden beoordeeld.
3. Van locaties, vanwaar de instelling activiteiten onder accreditatie onderneemt, maar die niet in de scope zijn vermeld omdat deze activiteiten geen kernactiviteiten betreffen (zie RvA-BR003), kunnen steekproeven worden genomen afhankelijk van onder meer: • het karakter en de omvang van de activiteiten op die locaties;
• de mate waarin vanuit het hoofdkantoor van de instelling toezicht op deze activiteiten wordt gehouden;
• omvang en resultaten van interne audits uitgevoerd door het hoofdkantoor op de locatie;
• of de desbetreffende locatie een eigen accreditatie heeft;
• signalen en/of meldingen over de instelling;
• relaties van een locatie met andere organisaties (bijvoorbeeld mogelijke relaties met een adviesorganisatie).
• het karakter en de omvang van de activiteiten op die locaties;
• de mate waarin vanuit het hoofdkantoor van de instelling toezicht op deze activiteiten wordt gehouden;
• omvang en resultaten van interne audits uitgevoerd door het hoofdkantoor op de locatie;
• of de desbetreffende locatie een eigen accreditatie heeft;
• signalen en/of meldingen over de instelling;
• relaties van een locatie met andere organisaties (bijvoorbeeld mogelijke relaties met een adviesorganisatie).
4. Bij iedere reguliere beoordeling zullen steekproeven worden genomen ter verificatie van de implementatie van het managementsysteem en ter verificatie van de technische deskundigheid. Hiertoe worden onder meer steekproeven genomen uit de technische dossiers, personeelsdossiers en kwaliteitsregistraties en kunnen verticale en horizontale audits worden uitgevoerd.
5. Specificatie van de wijze waarop een keuze gemaakt wordt uit de onderdelen van de scope van accreditatie, die gedurende de accreditatiecyclus worden beoordeeld, is gegeven in de specifieke accreditatieprotocollen (SAP’s). Deze protocollen vermelden ook de wijze waarop activiteiten, verrichtingen, schema’s en dergelijke worden geclusterd ten behoeve van de bepaling van de steekproeven die uit de scope van accreditatie worden genomen.
6. De keuze van onderdelen van de accreditatievereisten die bij een reguliere controlebeoordeling worden beoordeeld is zodanig, dat tijdens de controlebeoordelingen in de accreditatiecyclus alle vereisten minimaal eenmaal worden beoordeeld.
7. De onderwerpen interne audits, klachtenbehandeling, corrigerende maatregelen en de directiebeoordeling worden bij iedere reguliere controlebeoordeling beoordeeld. Bij belangrijke wijzigingen in het managementsysteem zullen ook deze wijzigingen worden beoordeeld.
8. De omvang en inhoud van de reguliere beoordelingen zal mede afhankelijk zijn van de resultaten van voorgaande beoordelingen en van informatie die de RvA van derde partijen heeft ontvangen (bijvoorbeeld meldingen en signalen) en van de risico’s die de RvA voor een instelling heeft vastgesteld.
9. In aanvulling op de algemene regels uit dit Artikel zijn voor de verschillende soorten accreditaties de regels in de volgende Artikelen verwoord.
10. Een algemeen overzicht van de documenten die de RvA van de instelling verwacht te ontvangen teneinde een efficiënte en effectieve beoordeling mogelijk te maken is in bijlage 1 opgenomen. De instelling levert de documenten aan, genummerd conform de tabel in deze bijlage.
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0046190
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl