BWBR0045929
Geldig vanaf 2022-01-01
Artikel 8
Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting
1. De subsidieontvanger is verplicht:
a. de bouw van de ontmoetingsruimte te voltooien op de wijze beschreven in het bouwplan, bedoeld in artikel 4, derde lid, onder g;
b. uiterlijk op 30 september 2026: 1°. de benodigde en onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouw van de ontmoetingsruimte te overleggen; of
2°. indien voor de bouw van de ontmoetingsruimte geen omgevingsvergunning is vereist, een tweezijdig getekende overeenkomst tussen de opdrachtnemer van en opdrachtgever voor de bouw van de ontmoetingsruimte te overleggen;
1°. de benodigde en onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouw van de ontmoetingsruimte te overleggen; of
2°. indien voor de bouw van de ontmoetingsruimte geen omgevingsvergunning is vereist, een tweezijdig getekende overeenkomst tussen de opdrachtnemer van en opdrachtgever voor de bouw van de ontmoetingsruimte te overleggen;
c. aan te vangen met de bouw van de ontmoetingsruimte binnen drie jaar na de datum van verlening van de subsidie;
d. de bouw van de ontmoetingsruimte te voltooien binnen zeven jaar na de datum van verlening van de subsidie;
e. de Minister te informeren wanneer de bouw van de ontmoetingsruimte is voltooid, op de in de verleningsbeschikking aangegeven wijze;
f. gedurende de vijf jaren na de datum van oplevering van de ontmoetingsruimte: 1°. te borgen dat de ontmoetingsruimte conform het aangeleverde exploitatieplan wordt gebruikt als ontmoetingsruimte voor bewoners van de geclusterde woonvorm en, indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, voor anderen;
2°. de ontmoetingsruimte op open, transparante en niet-discriminerende basis, als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschikbaar te stellen aan de bewoners van de bijhorende geclusterde woonruimte en, indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, voor anderen;
3°. de ontmoetingsruimte bij gebruik of verkoop minimaal tegen een marktconforme prijs aan te bieden, als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
4°. indien er sprake is van verkoop van die ontmoetingsruimte, de Minister te melden tegen welke prijs, aan welke partij en per welke datum deze verkocht wordt, en hoe ook na verkoop voldaan kan blijven worden aan de subsidieverplichtingen; en
5°. indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b: 1. geen nettowinst te maken op de exploitatie van de ontmoetingsruimte; en
2. iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de ontmoetingsruimte te exploiteren, op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats te laten vinden, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, door minstens drie onderhandse offertes aan te vragen aan relevante partijen of de exploitatie aan te besteden; en
1. geen nettowinst te maken op de exploitatie van de ontmoetingsruimte; en
2. iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de ontmoetingsruimte te exploiteren, op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats te laten vinden, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, door minstens drie onderhandse offertes aan te vragen aan relevante partijen of de exploitatie aan te besteden; en
1°. te borgen dat de ontmoetingsruimte conform het aangeleverde exploitatieplan wordt gebruikt als ontmoetingsruimte voor bewoners van de geclusterde woonvorm en, indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, voor anderen;
2°. de ontmoetingsruimte op open, transparante en niet-discriminerende basis, als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschikbaar te stellen aan de bewoners van de bijhorende geclusterde woonruimte en, indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, voor anderen;
3°. de ontmoetingsruimte bij gebruik of verkoop minimaal tegen een marktconforme prijs aan te bieden, als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
4°. indien er sprake is van verkoop van die ontmoetingsruimte, de Minister te melden tegen welke prijs, aan welke partij en per welke datum deze verkocht wordt, en hoe ook na verkoop voldaan kan blijven worden aan de subsidieverplichtingen; en
5°. indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b: 1. geen nettowinst te maken op de exploitatie van de ontmoetingsruimte; en
2. iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de ontmoetingsruimte te exploiteren, op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats te laten vinden, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, door minstens drie onderhandse offertes aan te vragen aan relevante partijen of de exploitatie aan te besteden; en
1. geen nettowinst te maken op de exploitatie van de ontmoetingsruimte; en
2. iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de ontmoetingsruimte te exploiteren, op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats te laten vinden, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, door minstens drie onderhandse offertes aan te vragen aan relevante partijen of de exploitatie aan te besteden; en
g. indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, de in het kader van de subsidieverlening gevoerde administratie te bewaren tot tien belastingjaren na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
2. Indien de bouw van de ontmoetingsruimte of het overleggen van de onherroepelijke omgevingsvergunning of tweezijdig getekende overeenkomst tussen opdrachtnemer en opdrachtgever voor de bouw van de ontmoetingsruimte buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is binnen de termijnen, genoemd onder b, c en d, kan de Minister die termijnen op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger eenmalig met ten hoogste één jaar verlengen.
a. de bouw van de ontmoetingsruimte te voltooien op de wijze beschreven in het bouwplan, bedoeld in artikel 4, derde lid, onder g;
b. uiterlijk op 30 september 2026: 1°. de benodigde en onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouw van de ontmoetingsruimte te overleggen; of
2°. indien voor de bouw van de ontmoetingsruimte geen omgevingsvergunning is vereist, een tweezijdig getekende overeenkomst tussen de opdrachtnemer van en opdrachtgever voor de bouw van de ontmoetingsruimte te overleggen;
1°. de benodigde en onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouw van de ontmoetingsruimte te overleggen; of
2°. indien voor de bouw van de ontmoetingsruimte geen omgevingsvergunning is vereist, een tweezijdig getekende overeenkomst tussen de opdrachtnemer van en opdrachtgever voor de bouw van de ontmoetingsruimte te overleggen;
c. aan te vangen met de bouw van de ontmoetingsruimte binnen drie jaar na de datum van verlening van de subsidie;
d. de bouw van de ontmoetingsruimte te voltooien binnen zeven jaar na de datum van verlening van de subsidie;
e. de Minister te informeren wanneer de bouw van de ontmoetingsruimte is voltooid, op de in de verleningsbeschikking aangegeven wijze;
f. gedurende de vijf jaren na de datum van oplevering van de ontmoetingsruimte: 1°. te borgen dat de ontmoetingsruimte conform het aangeleverde exploitatieplan wordt gebruikt als ontmoetingsruimte voor bewoners van de geclusterde woonvorm en, indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, voor anderen;
2°. de ontmoetingsruimte op open, transparante en niet-discriminerende basis, als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschikbaar te stellen aan de bewoners van de bijhorende geclusterde woonruimte en, indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, voor anderen;
3°. de ontmoetingsruimte bij gebruik of verkoop minimaal tegen een marktconforme prijs aan te bieden, als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
4°. indien er sprake is van verkoop van die ontmoetingsruimte, de Minister te melden tegen welke prijs, aan welke partij en per welke datum deze verkocht wordt, en hoe ook na verkoop voldaan kan blijven worden aan de subsidieverplichtingen; en
5°. indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b: 1. geen nettowinst te maken op de exploitatie van de ontmoetingsruimte; en
2. iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de ontmoetingsruimte te exploiteren, op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats te laten vinden, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, door minstens drie onderhandse offertes aan te vragen aan relevante partijen of de exploitatie aan te besteden; en
1. geen nettowinst te maken op de exploitatie van de ontmoetingsruimte; en
2. iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de ontmoetingsruimte te exploiteren, op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats te laten vinden, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, door minstens drie onderhandse offertes aan te vragen aan relevante partijen of de exploitatie aan te besteden; en
1°. te borgen dat de ontmoetingsruimte conform het aangeleverde exploitatieplan wordt gebruikt als ontmoetingsruimte voor bewoners van de geclusterde woonvorm en, indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, voor anderen;
2°. de ontmoetingsruimte op open, transparante en niet-discriminerende basis, als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschikbaar te stellen aan de bewoners van de bijhorende geclusterde woonruimte en, indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, voor anderen;
3°. de ontmoetingsruimte bij gebruik of verkoop minimaal tegen een marktconforme prijs aan te bieden, als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
4°. indien er sprake is van verkoop van die ontmoetingsruimte, de Minister te melden tegen welke prijs, aan welke partij en per welke datum deze verkocht wordt, en hoe ook na verkoop voldaan kan blijven worden aan de subsidieverplichtingen; en
5°. indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b: 1. geen nettowinst te maken op de exploitatie van de ontmoetingsruimte; en
2. iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de ontmoetingsruimte te exploiteren, op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats te laten vinden, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, door minstens drie onderhandse offertes aan te vragen aan relevante partijen of de exploitatie aan te besteden; en
1. geen nettowinst te maken op de exploitatie van de ontmoetingsruimte; en
2. iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de ontmoetingsruimte te exploiteren, op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats te laten vinden, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, door minstens drie onderhandse offertes aan te vragen aan relevante partijen of de exploitatie aan te besteden; en
g. indien er sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a en b, de in het kader van de subsidieverlening gevoerde administratie te bewaren tot tien belastingjaren na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
2. Indien de bouw van de ontmoetingsruimte of het overleggen van de onherroepelijke omgevingsvergunning of tweezijdig getekende overeenkomst tussen opdrachtnemer en opdrachtgever voor de bouw van de ontmoetingsruimte buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is binnen de termijnen, genoemd onder b, c en d, kan de Minister die termijnen op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger eenmalig met ten hoogste één jaar verlengen.