BWBR0045864
Geldig vanaf 2022-10-19
Artikel 7
Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021
1. De Minister stelt de uitkering, bedoeld in artikel 4, vast binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet.
2. De kosten, genoemd in artikel 6, worden bij de vaststelling buiten aanmerking gelaten indien deze kosten blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet, dat deel uitmaakt van de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, als fout of onzeker worden aangemerkt.
3. Indien de toepassing van het tweede lid naar het oordeel van de Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kan de Minister de kosten die als fout of onzeker worden aangemerkt, in afwijking van het tweede lid, geheel of gedeeltelijk bij de vaststelling buiten aanmerking laten.
4. Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft door de Minister is ontvangen, stelt de Minister de uitkering, bedoeld in artikel 4, ambtshalve vast.
5. Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van de gegevens waarvan de Minister kennis heeft op 30 september van het jaar, volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die de gemeente op verzoek van de Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
2. De kosten, genoemd in artikel 6, worden bij de vaststelling buiten aanmerking gelaten indien deze kosten blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet, dat deel uitmaakt van de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, als fout of onzeker worden aangemerkt.
3. Indien de toepassing van het tweede lid naar het oordeel van de Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kan de Minister de kosten die als fout of onzeker worden aangemerkt, in afwijking van het tweede lid, geheel of gedeeltelijk bij de vaststelling buiten aanmerking laten.
4. Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft door de Minister is ontvangen, stelt de Minister de uitkering, bedoeld in artikel 4, ambtshalve vast.
5. Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van de gegevens waarvan de Minister kennis heeft op 30 september van het jaar, volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die de gemeente op verzoek van de Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.