BWBR0045864
Geldig vanaf 2022-10-19
Artikel 6
Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021
1. Het college legt aan de Minister verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze zoals is bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. Het college kan deze verantwoording tot 1 januari 2030 bij de Minister doen.
2. Bij de verantwoording van de activiteiten, genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, b, d en f, kan het college de daadwerkelijke kosten of de daarvoor gestelde normbedragen verantwoorden. De normbedragen, met uitzondering van het normbedrag, genoemd in het vierde lid, onder d van dit artikel, worden eenmalig opgegeven voor de looptijd van deze regeling.
3. De wijze van verantwoorden van het college als bedoeld in het tweede lid is onherroepelijk en geldt voor de gehele looptijd van deze regeling, met dien verstande dat het college dat heeft gekozen voor verantwoording via de systematiek van normbedragen, eenmalig de mogelijkheid heeft om dit te wijzigen naar de systematiek van werkelijke kosten. Deze wijziging geldt alsdan voor alle activiteiten genoemd in artikel 3, eerste lid, met uitzondering van het bepaalde in onderdeel c van dat artikel.
4. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden de volgende normbedragen gehanteerd:
a. voor het eerste contact, registratie en inventarisatie van hulpvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a: € 391,– per gezin;
b. voor het opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b: € 3.569,– per potentieel gedupeerde of persoon, genoemd in artikel 2.21 Wht;
c. voor de nazorg, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d: € 1.847,– per plan van aanpak;
d. voor een driegesprek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder f: € 412,– per gesprek.
5. De normbedragen genoemd in het vierde lid en in het zevende lid, worden jaarlijks verhoogd met de loon- en prijsbijstelling conform de begrotingssystematiek van de Rijksbegroting.
6. Bij de verantwoording van de activiteiten genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, voeren de gemeenten de daadwerkelijk gemaakte kosten op voor de financiële verantwoording met dien verstande dat de kosten voor de sanering van schulden als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder c, niet meer bedragen dan € 10.000,–. Het college kan besluiten een hoger bedrag dan € 10.000 te verantwoorden.
7. Bij de verantwoording van de activiteiten genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e., heeft het college de keuze om hetzij de daadwerkelijke kosten dan wel het daarvoor gestelde normbedrag te verantwoorden. Het college geeft het normbedrag jaarlijks op. Deze opgave is, behoudens de eenmalige wijziging als bedoeld in het derde lid, onherroepelijk en geldt voor de gehele looptijd van deze regeling. De volgende normbedragen worden gehanteerd, afhankelijk van het aantal (potentieel) gedupeerden, dat een gemeente heeft en bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen bekend is voor het jaar waarin de gemeente het normbedrag opvoert:
tot 50 (potentieel) gedupeerden: € 12.348,–;
vanaf 50 tot 100 (potentieel) gedupeerden: € 49.392,–;
vanaf 100 tot 1.000 (potentieel) gedupeerden: € 123.480,–;
vanaf 1.000 (potentieel) gedupeerden: € 257.250,–.
8. In afwijking van het zevende lid mag het college de daadwerkelijke inrichtings- en coördinatiekosten verantwoorden indien deze het aantoonbaar gevolg zijn van het onder de werking van deze regeling brengen van kinderen, pleegkinderen of voormalig pleegkinderen die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 van de Wht.
9. De in het zevende lid genoemde aantallen (potentieel) gedupeerden kunnen eenmalig opwaarts worden bijgesteld voor ex-partners als bedoeld in artikel 2.14g, eerste en tweede lid, Wht.
10. Indien de verantwoording, zoals bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de Minister onvoldoende informatie bevat over de ondernomen activiteiten en de daarvoor gedane uitgaven, stelt de Minister binnen acht weken na de ontvangst van die verantwoording gemeenten binnen een door hem gestelde termijn in de gelegenheid die verantwoording aan te vullen.
11. De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt het college op jaarlijkse basis gegevens van potentieel gedupeerden, niet-gedupeerden en van de personen, genoemd in artikel 2.21 Wht, zodat het college in staat is om de financiële verantwoording, bedoeld in dit artikel, te verrichten.
2. Bij de verantwoording van de activiteiten, genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, b, d en f, kan het college de daadwerkelijke kosten of de daarvoor gestelde normbedragen verantwoorden. De normbedragen, met uitzondering van het normbedrag, genoemd in het vierde lid, onder d van dit artikel, worden eenmalig opgegeven voor de looptijd van deze regeling.
3. De wijze van verantwoorden van het college als bedoeld in het tweede lid is onherroepelijk en geldt voor de gehele looptijd van deze regeling, met dien verstande dat het college dat heeft gekozen voor verantwoording via de systematiek van normbedragen, eenmalig de mogelijkheid heeft om dit te wijzigen naar de systematiek van werkelijke kosten. Deze wijziging geldt alsdan voor alle activiteiten genoemd in artikel 3, eerste lid, met uitzondering van het bepaalde in onderdeel c van dat artikel.
4. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden de volgende normbedragen gehanteerd:
a. voor het eerste contact, registratie en inventarisatie van hulpvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a: € 391,– per gezin;
b. voor het opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b: € 3.569,– per potentieel gedupeerde of persoon, genoemd in artikel 2.21 Wht;
c. voor de nazorg, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d: € 1.847,– per plan van aanpak;
d. voor een driegesprek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder f: € 412,– per gesprek.
5. De normbedragen genoemd in het vierde lid en in het zevende lid, worden jaarlijks verhoogd met de loon- en prijsbijstelling conform de begrotingssystematiek van de Rijksbegroting.
6. Bij de verantwoording van de activiteiten genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, voeren de gemeenten de daadwerkelijk gemaakte kosten op voor de financiële verantwoording met dien verstande dat de kosten voor de sanering van schulden als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder c, niet meer bedragen dan € 10.000,–. Het college kan besluiten een hoger bedrag dan € 10.000 te verantwoorden.
7. Bij de verantwoording van de activiteiten genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e., heeft het college de keuze om hetzij de daadwerkelijke kosten dan wel het daarvoor gestelde normbedrag te verantwoorden. Het college geeft het normbedrag jaarlijks op. Deze opgave is, behoudens de eenmalige wijziging als bedoeld in het derde lid, onherroepelijk en geldt voor de gehele looptijd van deze regeling. De volgende normbedragen worden gehanteerd, afhankelijk van het aantal (potentieel) gedupeerden, dat een gemeente heeft en bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen bekend is voor het jaar waarin de gemeente het normbedrag opvoert:
tot 50 (potentieel) gedupeerden: € 12.348,–;
vanaf 50 tot 100 (potentieel) gedupeerden: € 49.392,–;
vanaf 100 tot 1.000 (potentieel) gedupeerden: € 123.480,–;
vanaf 1.000 (potentieel) gedupeerden: € 257.250,–.
8. In afwijking van het zevende lid mag het college de daadwerkelijke inrichtings- en coördinatiekosten verantwoorden indien deze het aantoonbaar gevolg zijn van het onder de werking van deze regeling brengen van kinderen, pleegkinderen of voormalig pleegkinderen die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 van de Wht.
9. De in het zevende lid genoemde aantallen (potentieel) gedupeerden kunnen eenmalig opwaarts worden bijgesteld voor ex-partners als bedoeld in artikel 2.14g, eerste en tweede lid, Wht.
10. Indien de verantwoording, zoals bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de Minister onvoldoende informatie bevat over de ondernomen activiteiten en de daarvoor gedane uitgaven, stelt de Minister binnen acht weken na de ontvangst van die verantwoording gemeenten binnen een door hem gestelde termijn in de gelegenheid die verantwoording aan te vullen.
11. De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt het college op jaarlijkse basis gegevens van potentieel gedupeerden, niet-gedupeerden en van de personen, genoemd in artikel 2.21 Wht, zodat het college in staat is om de financiële verantwoording, bedoeld in dit artikel, te verrichten.