BWBR0045803
Geldig vanaf 2023-11-14
Artikel 9
Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2025
1. De activiteiten worden afgerond op uiterlijk:
a. 31 december 2023 voor subsidies die zijn aangevraagd in het eerste en tweede aanvraagtijdvak;
b. 31 december 2024 voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde en vierde aanvraagtijdvak, met uitzondering van de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, die op uiterlijk 28 februari 2025 wordt afgerond;
c. 31 december 2025 voor subsidies die zijn aangevraagd in het vijfde en zesde aanvraagtijdvak, met uitzondering van de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, die op uiterlijk 28 februari 2026 wordt afgerond.
2. Het bevoegd gezag organiseert de nazorg en spant zich er aantoonbaar voor in dat het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden ook daadwerkelijk van de nazorg en in het bijzonder van de persoonlijke en directe contactmomenten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, gebruik maakt.
3. Voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagtijdvak geldt in aanvulling op het tweede lid dat:
a. het bevoegd gezag de effectiviteit evalueert van de gebruikte nazorginstrumenten en wijze waarop de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd. Indien reeds eerder subsidie aan het bevoegd gezag is verstrekt op grond van de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg 2021/2022 of deze regeling, neemt het bevoegd gezag de ervaringen uit de voorgaande activiteitenperiodes in de evaluatie mee;
b. het bevoegd gezag in ieder geval aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede lid, heeft voldaan indien 70% of meer van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden van de nazorg gebruik heeft gemaakt;
c. het bevoegd gezag een melding doet bij DUS-I zodra zij verwacht dat minder dan 70% van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden gebruik zal maken; en
d. indien minder dan 70% van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden daadwerkelijk van de nazorg gebruik heeft gemaakt, het bevoegd gezag uitsluitend aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan als hij kan motiveren voldoende inspanningen te hebben verricht en daarbij aantoont dat de gediplomeerden in ieder geval persoonlijk voor de nazorg zijn benaderd.
4. Onverminderd de verplichtingen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, voert het bevoegd gezag een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie die zo is ingericht dat daaruit te allen tijde kan worden afgeleid dat de nazorg is aangeboden, hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt en, voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagtijdvak, hoe de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd.
5. Aan de gediplomeerden of hun ouders of verzorgers wordt geen vergoeding voor de nazorg gevraagd.
6. Indien de activiteiten geheel of gedeeltelijk door een derde partij worden uitgevoerd, bedingt de subsidieontvanger bij deze partij dat zij meewerkt aan de evaluatie als bedoeld in artikel 11.
7. Na afronding van de activiteiten zendt het bevoegd gezag de volgende informatie aan DUS-I op uiterlijk de volgende tijdstippen:
a. voor subsidies die zijn aangevraagd in het eerste of tweede aanvraagtijdvak, uiterlijk op 28 februari 2024: 1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a; en
3°. hoe het bevoegd gezag heeft voldaan aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede lid;
1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a; en
3°. hoe het bevoegd gezag heeft voldaan aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede lid;
b. voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde of vierde aanvraagtijdvak, uiterlijk op 28 februari 2025: 1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;
3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en
4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a;
1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;
3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en
4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a;
c. voor subsidies die zijn aangevraagd in het vijfde of zesde aanvraagtijdvak, uiterlijk op 28 februari 2026: 1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;
3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en
4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a.
1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;
3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en
4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a.
8. Indien het bevoegd gezag voor een subsidie die is aangevraagd in het derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagtijdvak niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede en derde lid, stelt de minister de subsidie naar evenredigheid lager vast aan de hand van het aantal gediplomeerden dat niet van de nazorg gebruik heeft gemaakt in relatie tot het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden.
a. 31 december 2023 voor subsidies die zijn aangevraagd in het eerste en tweede aanvraagtijdvak;
b. 31 december 2024 voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde en vierde aanvraagtijdvak, met uitzondering van de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, die op uiterlijk 28 februari 2025 wordt afgerond;
c. 31 december 2025 voor subsidies die zijn aangevraagd in het vijfde en zesde aanvraagtijdvak, met uitzondering van de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, die op uiterlijk 28 februari 2026 wordt afgerond.
2. Het bevoegd gezag organiseert de nazorg en spant zich er aantoonbaar voor in dat het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden ook daadwerkelijk van de nazorg en in het bijzonder van de persoonlijke en directe contactmomenten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, gebruik maakt.
3. Voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagtijdvak geldt in aanvulling op het tweede lid dat:
a. het bevoegd gezag de effectiviteit evalueert van de gebruikte nazorginstrumenten en wijze waarop de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd. Indien reeds eerder subsidie aan het bevoegd gezag is verstrekt op grond van de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg 2021/2022 of deze regeling, neemt het bevoegd gezag de ervaringen uit de voorgaande activiteitenperiodes in de evaluatie mee;
b. het bevoegd gezag in ieder geval aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede lid, heeft voldaan indien 70% of meer van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden van de nazorg gebruik heeft gemaakt;
c. het bevoegd gezag een melding doet bij DUS-I zodra zij verwacht dat minder dan 70% van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden gebruik zal maken; en
d. indien minder dan 70% van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden daadwerkelijk van de nazorg gebruik heeft gemaakt, het bevoegd gezag uitsluitend aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan als hij kan motiveren voldoende inspanningen te hebben verricht en daarbij aantoont dat de gediplomeerden in ieder geval persoonlijk voor de nazorg zijn benaderd.
4. Onverminderd de verplichtingen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, voert het bevoegd gezag een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie die zo is ingericht dat daaruit te allen tijde kan worden afgeleid dat de nazorg is aangeboden, hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt en, voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagtijdvak, hoe de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd.
5. Aan de gediplomeerden of hun ouders of verzorgers wordt geen vergoeding voor de nazorg gevraagd.
6. Indien de activiteiten geheel of gedeeltelijk door een derde partij worden uitgevoerd, bedingt de subsidieontvanger bij deze partij dat zij meewerkt aan de evaluatie als bedoeld in artikel 11.
7. Na afronding van de activiteiten zendt het bevoegd gezag de volgende informatie aan DUS-I op uiterlijk de volgende tijdstippen:
a. voor subsidies die zijn aangevraagd in het eerste of tweede aanvraagtijdvak, uiterlijk op 28 februari 2024: 1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a; en
3°. hoe het bevoegd gezag heeft voldaan aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede lid;
1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a; en
3°. hoe het bevoegd gezag heeft voldaan aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede lid;
b. voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde of vierde aanvraagtijdvak, uiterlijk op 28 februari 2025: 1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;
3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en
4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a;
1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;
3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en
4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a;
c. voor subsidies die zijn aangevraagd in het vijfde of zesde aanvraagtijdvak, uiterlijk op 28 februari 2026: 1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;
3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en
4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a.
1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;
2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;
3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en
4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a.
8. Indien het bevoegd gezag voor een subsidie die is aangevraagd in het derde, vierde, vijfde of zesde aanvraagtijdvak niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede en derde lid, stelt de minister de subsidie naar evenredigheid lager vast aan de hand van het aantal gediplomeerden dat niet van de nazorg gebruik heeft gemaakt in relatie tot het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden.