BWBR0045673
Geldig vanaf 2021-10-09
Artikel 10
Regeling specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp 2021
1. De coördinerende gemeente die een uitkering ontvangt voor activiteiten bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, draagt er zorg voor dat uiterlijk op 1 april 2021 een plan van aanpak vastgesteld is ten aanzien van de jeugdregio’s en de accommodaties gesloten jeugdhulp waarvoor de desbetreffende gemeente coördinerende gemeente is, zoals volgt uit Bijlage 1, met in ieder geval de volgende elementen:
a. een beschrijving van de staat van het vastgoed van de accommodaties gesloten jeugdhulp en het aantal plaatsen;
b. een analyse van de herkomst van cliënten van accommodaties gesloten jeugdhulp;
c. een beschrijving van de uitgangspunten en doelstellingen van de vastgoedtransitie in de jeugdregio’s;
d. een beschrijving van de wijze waarop de coördinerende gemeente de jeugdregio’s, betrekt bij het bovenregionale plan, alsmede hoe de afstemming plaatsvindt met andere jeugdregio’s die gebruik maken van de capaciteit van de accommodaties gesloten jeugdhulp;
e. een beschrijving van de wijze waarop de coördinerende gemeente de landelijke coördinatie van de VNG betrekt bij de vorming van het bovenregionale plan;
f. een beschrijving van de wijze waarop de coördinerende gemeente de accommodaties gesloten jeugdhulp betrekt;
g. een beschrijving van de planning van de coördinerende gemeente, gericht op het einddoel dat de aan de coördinerende gemeente verleende uitkering uiterlijk 31 december 2026 besteed is, waaronder in ieder geval: 1°. de datum van de vaststelling van het bovenregionaal plan;
2°. de datum dat de accommodaties gesloten jeugdhulp het strategisch vastgoedplan hebben vastgesteld, dat past binnen het bovenregionaal plan.
1°. de datum van de vaststelling van het bovenregionaal plan;
2°. de datum dat de accommodaties gesloten jeugdhulp het strategisch vastgoedplan hebben vastgesteld, dat past binnen het bovenregionaal plan.
2. De coördinerende gemeente die een uitkering ontvangt voor activiteiten bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, draagt er zorg voor dat de accommodaties gesloten jeugdhulp waarvoor de desbetreffende gemeente coördinerende gemeente is, zoals volgt uit Bijlage 1, uiterlijk op de in het plan van aanpak genoemde datum, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een strategisch vastgoedplan.
3. De coördinerende gemeente die een uitkering ontvangt voor activiteiten bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, draagt er zorg voor dat uiterlijk op de in het plan van aanpak genoemde datum, bedoeld in het eerste lid, een bovenregionaal plan is vastgesteld.
a. een beschrijving van de staat van het vastgoed van de accommodaties gesloten jeugdhulp en het aantal plaatsen;
b. een analyse van de herkomst van cliënten van accommodaties gesloten jeugdhulp;
c. een beschrijving van de uitgangspunten en doelstellingen van de vastgoedtransitie in de jeugdregio’s;
d. een beschrijving van de wijze waarop de coördinerende gemeente de jeugdregio’s, betrekt bij het bovenregionale plan, alsmede hoe de afstemming plaatsvindt met andere jeugdregio’s die gebruik maken van de capaciteit van de accommodaties gesloten jeugdhulp;
e. een beschrijving van de wijze waarop de coördinerende gemeente de landelijke coördinatie van de VNG betrekt bij de vorming van het bovenregionale plan;
f. een beschrijving van de wijze waarop de coördinerende gemeente de accommodaties gesloten jeugdhulp betrekt;
g. een beschrijving van de planning van de coördinerende gemeente, gericht op het einddoel dat de aan de coördinerende gemeente verleende uitkering uiterlijk 31 december 2026 besteed is, waaronder in ieder geval: 1°. de datum van de vaststelling van het bovenregionaal plan;
2°. de datum dat de accommodaties gesloten jeugdhulp het strategisch vastgoedplan hebben vastgesteld, dat past binnen het bovenregionaal plan.
1°. de datum van de vaststelling van het bovenregionaal plan;
2°. de datum dat de accommodaties gesloten jeugdhulp het strategisch vastgoedplan hebben vastgesteld, dat past binnen het bovenregionaal plan.
2. De coördinerende gemeente die een uitkering ontvangt voor activiteiten bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, draagt er zorg voor dat de accommodaties gesloten jeugdhulp waarvoor de desbetreffende gemeente coördinerende gemeente is, zoals volgt uit Bijlage 1, uiterlijk op de in het plan van aanpak genoemde datum, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een strategisch vastgoedplan.
3. De coördinerende gemeente die een uitkering ontvangt voor activiteiten bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, draagt er zorg voor dat uiterlijk op de in het plan van aanpak genoemde datum, bedoeld in het eerste lid, een bovenregionaal plan is vastgesteld.