BWBR0045607
Geldig vanaf 2025-07-02
Artikel 3a
Regeling aanvullende bekostiging vo-scholen in uitzonderlijke omstandigheden
1. De Minister kan de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3, op aanvraag van het bevoegd gezag ook verstrekken indien:
a. het in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde onderwijs binnen een scholengemeenschap is verdeeld over twee vestigingen, die hemelsbreed gemeten maximaal 300 meter van elkaar gelegen zijn; en
b. er door het bevoegd gezag een bijdrage wordt geleverd aan het tegengaan van segregatie doordat de leerlingen van de verschillende schoolsoorten samenkomen op de vestigingen in reguliere onderwijstijd. Het bevoegd gezag voldoet hieraan indien: 1°. de eerste twee leerjaren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het vbo tot en met vwo wordt verzorgd op één van de vestigingen; of
2°. onderwijs in de leerjaren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b tot en met e, van het vbo tot en met het vwo, wordt verzorgd op één van de vestigingen; of
3°. het bevoegd gezag aantoont dat minimaal 50% van de leerlingen minimaal 20% van hun onderwijstijd gedurende het schooljaar onderwijs volgt op beide vestigingen.
1°. de eerste twee leerjaren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het vbo tot en met vwo wordt verzorgd op één van de vestigingen; of
2°. onderwijs in de leerjaren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b tot en met e, van het vbo tot en met het vwo, wordt verzorgd op één van de vestigingen; of
3°. het bevoegd gezag aantoont dat minimaal 50% van de leerlingen minimaal 20% van hun onderwijstijd gedurende het schooljaar onderwijs volgt op beide vestigingen.
2. De hemelsbreed gemeten afstand tussen twee vestigingen wordt berekend door de afstand in meters te bepalen met de formule: √((x1 – x2) 2+ (y1 – y2) 2), waarin x1 en y1 de BAG-coördinaten zijn van het adres van de ene vestiging en x2 en y2 de BAG-coördinaten zijn van het adres van de andere vestiging. Daarbij wordt uitgegaan van de adresgegevens van beide vestigingen zoals opgenomen in de Basisregistratie Instellingen.
3. Het bevoegd gezag kan voor een vestiging één keer gebruikmaken van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk op 1 mei van enig kalenderjaar bij de Minister ingediend. Aanvragen die na 1 mei zijn ontvangen, worden afgewezen. De aanvraag geschiedt met gebruikmaking van het aanvraagformulier in de bijlage.
5. In afwijking van het vierde lid wordt de aanvraag in 2022 uiterlijk op 1 juni bij de Minister ingediend. De aanvraag wordt afgewezen als deze na 1 juni is ontvangen.
6. De Minister besluit voor 1 augustus van het kalenderjaar van aanvraag of de aanvullende bekostiging wordt toegekend. De aanvullende bekostiging wordt jaarlijks in november uitbetaald. De toekenning geldt tot en met het jaar 2026, mits voldaan blijft worden aan de voorwaarden uit het eerste lid.
7. Het bevoegd gezag maakt er bij de Minister schriftelijk melding van indien niet meer wordt voldaan aan het eerste lid. De toekenning zal dan voor het kalenderjaar daaropvolgend stoppen.
8. Artikel 3, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de aanvullende bekostiging bedoeld in het eerste lid.
a. het in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde onderwijs binnen een scholengemeenschap is verdeeld over twee vestigingen, die hemelsbreed gemeten maximaal 300 meter van elkaar gelegen zijn; en
b. er door het bevoegd gezag een bijdrage wordt geleverd aan het tegengaan van segregatie doordat de leerlingen van de verschillende schoolsoorten samenkomen op de vestigingen in reguliere onderwijstijd. Het bevoegd gezag voldoet hieraan indien: 1°. de eerste twee leerjaren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het vbo tot en met vwo wordt verzorgd op één van de vestigingen; of
2°. onderwijs in de leerjaren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b tot en met e, van het vbo tot en met het vwo, wordt verzorgd op één van de vestigingen; of
3°. het bevoegd gezag aantoont dat minimaal 50% van de leerlingen minimaal 20% van hun onderwijstijd gedurende het schooljaar onderwijs volgt op beide vestigingen.
1°. de eerste twee leerjaren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het vbo tot en met vwo wordt verzorgd op één van de vestigingen; of
2°. onderwijs in de leerjaren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b tot en met e, van het vbo tot en met het vwo, wordt verzorgd op één van de vestigingen; of
3°. het bevoegd gezag aantoont dat minimaal 50% van de leerlingen minimaal 20% van hun onderwijstijd gedurende het schooljaar onderwijs volgt op beide vestigingen.
2. De hemelsbreed gemeten afstand tussen twee vestigingen wordt berekend door de afstand in meters te bepalen met de formule: √((x1 – x2) 2+ (y1 – y2) 2), waarin x1 en y1 de BAG-coördinaten zijn van het adres van de ene vestiging en x2 en y2 de BAG-coördinaten zijn van het adres van de andere vestiging. Daarbij wordt uitgegaan van de adresgegevens van beide vestigingen zoals opgenomen in de Basisregistratie Instellingen.
3. Het bevoegd gezag kan voor een vestiging één keer gebruikmaken van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk op 1 mei van enig kalenderjaar bij de Minister ingediend. Aanvragen die na 1 mei zijn ontvangen, worden afgewezen. De aanvraag geschiedt met gebruikmaking van het aanvraagformulier in de bijlage.
5. In afwijking van het vierde lid wordt de aanvraag in 2022 uiterlijk op 1 juni bij de Minister ingediend. De aanvraag wordt afgewezen als deze na 1 juni is ontvangen.
6. De Minister besluit voor 1 augustus van het kalenderjaar van aanvraag of de aanvullende bekostiging wordt toegekend. De aanvullende bekostiging wordt jaarlijks in november uitbetaald. De toekenning geldt tot en met het jaar 2026, mits voldaan blijft worden aan de voorwaarden uit het eerste lid.
7. Het bevoegd gezag maakt er bij de Minister schriftelijk melding van indien niet meer wordt voldaan aan het eerste lid. De toekenning zal dan voor het kalenderjaar daaropvolgend stoppen.
8. Artikel 3, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de aanvullende bekostiging bedoeld in het eerste lid.