BWBR0045479
Geldig vanaf 2021-07-01
Artikel 4
Gemeenschappelijke regeling Tresoar
1. Het algemeen bestuur bestaat uit zeven leden.
2. De minister wijst drie leden aan.
3. Gedeputeerde staten wijzen drie leden aan uit hun midden.
4. Het stichtingsbestuur wijst één lid aan uit zijn midden.
5. De minister, gedeputeerde staten en het stichtingsbestuur kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor gedeputeerde staten en de stichting uit zijn midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
6. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de zittingsperiode van gedeputeerde staten afloopt. Het lidmaatschap eindigt voorts indien men ophoudt lid of voorzitter te zijn van gedeputeerde staten.
7. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het zesde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
8. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijzen de minister, gedeputeerde staten of het stichtingsbestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
9. De minister, de provincie of de stichting kunnen het lidmaatschap van een door hen aangewezen lid beëindigen, indien dat niet meer hun vertrouwen geniet.
10. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
2. De minister wijst drie leden aan.
3. Gedeputeerde staten wijzen drie leden aan uit hun midden.
4. Het stichtingsbestuur wijst één lid aan uit zijn midden.
5. De minister, gedeputeerde staten en het stichtingsbestuur kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor gedeputeerde staten en de stichting uit zijn midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
6. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de zittingsperiode van gedeputeerde staten afloopt. Het lidmaatschap eindigt voorts indien men ophoudt lid of voorzitter te zijn van gedeputeerde staten.
7. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het zesde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
8. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijzen de minister, gedeputeerde staten of het stichtingsbestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
9. De minister, de provincie of de stichting kunnen het lidmaatschap van een door hen aangewezen lid beëindigen, indien dat niet meer hun vertrouwen geniet.
10. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.