BWBR0045346
Geldig vanaf 2021-07-07
Artikel 5
Regeling subsidie financiering ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
b. de getroffen onderneming nog niet het maximale steunbedrag waarvoor hij op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 in aanmerking kan komen, in het kader van die regeling heeft aangevraagd;
c. de getroffen onderneming al in moeilijkheden verkeerde, in de zin van artikel 2, onderdeel 14, van de landbouwvrijstellingsverordening, op 31 december 2019;
d. indien het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de schatting van de omzet in de subsidieperiode, zoals opgenomen in de subsidieaanvraag, gedeeld door de omzet in de referentieperiode en uitgedrukt in procenten, minder dan 30% bedraagt;
e. de totale door de getroffen onderneming ontvangen steun die wordt gerechtvaardigd door paragraaf 3.12 van de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I) na toepassing van deze regeling en de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten COVID-19 ontvangen steun, en waarbij uit wordt gegaan van brutobedragen per onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, meer bedraagt dan € 2.300.000.
2. Het eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel d, is niet van toepassing op een getroffen onderneming die voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister na 29 februari 2020.
a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
b. de getroffen onderneming nog niet het maximale steunbedrag waarvoor hij op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 in aanmerking kan komen, in het kader van die regeling heeft aangevraagd;
c. de getroffen onderneming al in moeilijkheden verkeerde, in de zin van artikel 2, onderdeel 14, van de landbouwvrijstellingsverordening, op 31 december 2019;
d. indien het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de schatting van de omzet in de subsidieperiode, zoals opgenomen in de subsidieaanvraag, gedeeld door de omzet in de referentieperiode en uitgedrukt in procenten, minder dan 30% bedraagt;
e. de totale door de getroffen onderneming ontvangen steun die wordt gerechtvaardigd door paragraaf 3.12 van de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I) na toepassing van deze regeling en de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten COVID-19 ontvangen steun, en waarbij uit wordt gegaan van brutobedragen per onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, meer bedraagt dan € 2.300.000.
2. Het eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel d, is niet van toepassing op een getroffen onderneming die voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister na 29 februari 2020.