BWBR0044773
Geldig vanaf 2021-04-01
Artikel 5.4
Besluit kansspelen op afstand
1. De vergunninghouder stelt ten genoegen van de raad van bestuur financiële zekerheid voor het nakomen van zijn financiële verplichtingen uit:
a. de kansspelheffing, bedoeld in artikel 33e van de wet, en
b. bestuurlijke sancties wegens overtredingen van bij of krachtens de wet gestelde voorschriften.
2. Het bedrag waarvoor financiële zekerheid wordt gesteld, is ten hoogste gelijk aan het bedrag van de geldboete van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. Bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag betrekt de raad van bestuur in ieder geval de duurzame aanwezigheid van in Nederland gelegen vermogensbestanddelen die mogelijkheid tot verhaal bieden.
4. De financiële zekerheid kan worden gesteld in de vorm van een waarborgsom, een borgtocht of een bankgarantie, dan wel door het treffen van enige andere voorziening waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van de raad van bestuur gelijkwaardig is aan een van die vormen van zekerheid.
5. De vergunninghouder houdt de financiële zekerheid in stand gedurende een door de raad van bestuur te bepalen termijn tot maximaal een jaar na de datum waarop de geldigheidsduur van de vergunning is verstreken.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de financiële zekerheidstelling.
a. de kansspelheffing, bedoeld in artikel 33e van de wet, en
b. bestuurlijke sancties wegens overtredingen van bij of krachtens de wet gestelde voorschriften.
2. Het bedrag waarvoor financiële zekerheid wordt gesteld, is ten hoogste gelijk aan het bedrag van de geldboete van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. Bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag betrekt de raad van bestuur in ieder geval de duurzame aanwezigheid van in Nederland gelegen vermogensbestanddelen die mogelijkheid tot verhaal bieden.
4. De financiële zekerheid kan worden gesteld in de vorm van een waarborgsom, een borgtocht of een bankgarantie, dan wel door het treffen van enige andere voorziening waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van de raad van bestuur gelijkwaardig is aan een van die vormen van zekerheid.
5. De vergunninghouder houdt de financiële zekerheid in stand gedurende een door de raad van bestuur te bepalen termijn tot maximaal een jaar na de datum waarop de geldigheidsduur van de vergunning is verstreken.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de financiële zekerheidstelling.