BWBR0044770
Geldig vanaf 2022-01-01
Artikel 15
Wet inburgering 2021
1. Het college stelt op basis van de brede intake vast:
a. de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute;
b. de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding;
c. de intensiteit van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie; en
d. voor zover van toepassing, welke afspraken er zijn gemaakt met de inburgeringsplichtige over het deelnemen van diens kind aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.
2. Het college stelt voor een inburgeringsplichtige als bedoeld in artikel 13, eerste lid, de intensiteit van de leerroute vast.
3. Voor zover van toepassing voegt het college bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, beschikkingen op grond van de <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Participatiewet</a>waarin rechten zijn toegekend of plichten zijn opgelegd met het oog op de bevordering van participatie en waarin de verplichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0015703/artikel/56a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 56a van die wet</a>, is vastgesteld, wat tezamen het persoonlijk plan inburgering en participatie vormt.
4. Als de inburgeringsplichtige, voor wie de leerroute is vastgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, stelt het college van de andere gemeente in afwijking van artikel 14, derde lid, tweede zin, aanhef en onderdelen a en bde leerroute vast conform de eerder vastgestelde leerroute.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald binnen welke termijn het persoonlijk plan inburgering en participatie wordt opgesteld.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het vaststellen door het college en het persoonlijk plan inburgering en participatie.
a. de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute;
b. de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding;
c. de intensiteit van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie; en
d. voor zover van toepassing, welke afspraken er zijn gemaakt met de inburgeringsplichtige over het deelnemen van diens kind aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.
2. Het college stelt voor een inburgeringsplichtige als bedoeld in artikel 13, eerste lid, de intensiteit van de leerroute vast.
3. Voor zover van toepassing voegt het college bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, beschikkingen op grond van de <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Participatiewet</a>waarin rechten zijn toegekend of plichten zijn opgelegd met het oog op de bevordering van participatie en waarin de verplichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0015703/artikel/56a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 56a van die wet</a>, is vastgesteld, wat tezamen het persoonlijk plan inburgering en participatie vormt.
4. Als de inburgeringsplichtige, voor wie de leerroute is vastgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, stelt het college van de andere gemeente in afwijking van artikel 14, derde lid, tweede zin, aanhef en onderdelen a en bde leerroute vast conform de eerder vastgestelde leerroute.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald binnen welke termijn het persoonlijk plan inburgering en participatie wordt opgesteld.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het vaststellen door het college en het persoonlijk plan inburgering en participatie.