BWBR0044252
Geldig vanaf 2020-10-22
Artikel 6
Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2020
1. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan het doel, bedoeld in artikel 3.
2. De ontvanger verstrekt een subsidie aan de concessiehouder of past de vervoersconcessie aan, onder in ieder geval de volgende voorwaarden:
a. de concessiehouder voert in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 december 2020 een volwaardige dienstregeling uit met inachtneming van de kabinetsrichtlijnen voor het openbaar vervoer;
b. vermelding van het maximale bedrag dat kan worden besteed aan de tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, alsmede een onderbouwing daarvan;
c. de concessieverlener vermeldt bij aanvraag de genoten of verwachte subsidie, tegemoetkoming of andere baten, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder e;
d. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, tweede lid, een verklaring dat in 2019 een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder, met een accountantsverklaring en een rapport van bevindingen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
e. het bepaalde in het derde tot en met het negende lid.
3. De beschikbaarheidsvergoeding wordt niet aangewend voor:
a. de verstrekking van bonussen of een ontslagvergoeding aan de bestuurders of het hoger management van de concessiehouder over 2019 of eerdere jaren;
b. een winstuitkering aan de bestuurders van de concessiehouder over 2019 of eerdere jaren; en
c. een uitkering van dividend aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over 2019 of eerdere jaren.
4. Er wordt geen beschikbaarheidsvergoeding verstrekt indien over 2020:
a. bonussen of een ontslagvergoeding worden verstrekt aan bestuurders of het hoger management van de concessiehouder;
b. een winstuitkering wordt verstrekt aan de bestuurders van de concessiehouder; of
c. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
5. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2020 koopt de concessiehouder, zijn bestuur of hogere management geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
6. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de beschikbaarheidsvergoeding op in de fiscale winst over het jaar 2020.
7. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was vóór 31 december 2019 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
8. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
9. De ontvangers en de concessiehouders verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.
2. De ontvanger verstrekt een subsidie aan de concessiehouder of past de vervoersconcessie aan, onder in ieder geval de volgende voorwaarden:
a. de concessiehouder voert in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 december 2020 een volwaardige dienstregeling uit met inachtneming van de kabinetsrichtlijnen voor het openbaar vervoer;
b. vermelding van het maximale bedrag dat kan worden besteed aan de tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, alsmede een onderbouwing daarvan;
c. de concessieverlener vermeldt bij aanvraag de genoten of verwachte subsidie, tegemoetkoming of andere baten, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder e;
d. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, tweede lid, een verklaring dat in 2019 een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder, met een accountantsverklaring en een rapport van bevindingen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
e. het bepaalde in het derde tot en met het negende lid.
3. De beschikbaarheidsvergoeding wordt niet aangewend voor:
a. de verstrekking van bonussen of een ontslagvergoeding aan de bestuurders of het hoger management van de concessiehouder over 2019 of eerdere jaren;
b. een winstuitkering aan de bestuurders van de concessiehouder over 2019 of eerdere jaren; en
c. een uitkering van dividend aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over 2019 of eerdere jaren.
4. Er wordt geen beschikbaarheidsvergoeding verstrekt indien over 2020:
a. bonussen of een ontslagvergoeding worden verstrekt aan bestuurders of het hoger management van de concessiehouder;
b. een winstuitkering wordt verstrekt aan de bestuurders van de concessiehouder; of
c. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
5. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2020 koopt de concessiehouder, zijn bestuur of hogere management geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
6. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de beschikbaarheidsvergoeding op in de fiscale winst over het jaar 2020.
7. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was vóór 31 december 2019 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
8. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
9. De ontvangers en de concessiehouders verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.