BWBR0044252
Geldig vanaf 2020-10-22
Artikel 5
Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2020
1. Een aanvraag van een specifieke uitkering wordt elektronisch, per concessie en uiterlijk op 1 december 2020 ingediend.
2. In de aanvraag wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en Min ieder geval vermeld:
a. de periode waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. de geschatte reizigersinkomsten en andere ontvangsten van de concessiehouder in de uitvoering van het openbaar vervoer in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020;
c. de geschatte kosten van de concessiehouder voor de uitvoering van het regionaal openbaar vervoer in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020;
d. de geschatte kosten van tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt;
e. de door de concessiehouder genoten of verwachte subsidie, tegemoetkoming of andere baten van zowel overheden als overige partijen waardoor de financiële gevolgen van de daling van de inkomsten dan wel de kosten zijn of worden beperkt; en
f. of een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt aangevraagd.
3. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring van de ontvanger dat de concessiehouder een aanvraag heeft ingediend voor de beschikbaarheidsvergoeding en een kopie van de door die concessiehouder ingediende aanvraag; en
b. een verklaring van de ontvanger dat hij aan de subsidie of aan te passen concessie ten minste de voorwaarden zal verbinden, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
4. Indien wordt verzocht om een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, dient de ontvanger een aanvullende aanvraag in.
5. De ontvanger wordt in de gelegenheid gesteld de uitkeringsaanvraag binnen twee weken aan te vullen met de op grond van dit artikel te verstrekken gegevens.
2. In de aanvraag wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en Min ieder geval vermeld:
a. de periode waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. de geschatte reizigersinkomsten en andere ontvangsten van de concessiehouder in de uitvoering van het openbaar vervoer in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020;
c. de geschatte kosten van de concessiehouder voor de uitvoering van het regionaal openbaar vervoer in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020;
d. de geschatte kosten van tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt;
e. de door de concessiehouder genoten of verwachte subsidie, tegemoetkoming of andere baten van zowel overheden als overige partijen waardoor de financiële gevolgen van de daling van de inkomsten dan wel de kosten zijn of worden beperkt; en
f. of een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt aangevraagd.
3. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring van de ontvanger dat de concessiehouder een aanvraag heeft ingediend voor de beschikbaarheidsvergoeding en een kopie van de door die concessiehouder ingediende aanvraag; en
b. een verklaring van de ontvanger dat hij aan de subsidie of aan te passen concessie ten minste de voorwaarden zal verbinden, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
4. Indien wordt verzocht om een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, dient de ontvanger een aanvullende aanvraag in.
5. De ontvanger wordt in de gelegenheid gesteld de uitkeringsaanvraag binnen twee weken aan te vullen met de op grond van dit artikel te verstrekken gegevens.