BWBR0044252
Geldig vanaf 2020-10-22
Artikel 4
Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2020
1. De specifieke uitkering bedraagt 93% van de kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding, bedoeld in bijlage 2, verminderd met 100% van de gerealiseerde opbrengsten in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020, bedoeld in bijlage 3.
2. De specifieke uitkering kan op aanvraag van de concessieverlener worden verhoogd indien bij de concessie waarvoor een aanvraag wordt ingediend in 2019 een winstmarge van 2% of minder is gerealiseerd.
3. De verhoging bedraagt twee procentpunt.
4. Met betrekking tot de tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, bedoeld in bijlage 2wordt een bedrag verstrekt van maximaal 110% van de geschatte kosten.
5. Bij onvoorziene omstandigheden kan dit bedrag, bedoeld in het vierde lid, op aanvraag worden verhoogd.
6. Van de kosten en opbrengsten, bedoeld in het eerste lid, worden buiten aanmerking gelaten:
a. kosten die geen betrekking hebben op het regionaal openbaar vervoer als overeengekomen in de vervoersconcessie;
b. kosten en opbrengsten van activiteiten als overeengekomen in de vervoersconcessie waarbij sprake is van 100% bekostiging door de concessieverlener; en
c. kosten die afwijken of nieuw zijn ten opzichte van 2019, tenzij deze aantoonbaar en gemotiveerd noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de vervoersconcessie en, hoewel niet vermeld in de vervoersconcessie, zijn overeengekomen met de concessieverlener.
2. De specifieke uitkering kan op aanvraag van de concessieverlener worden verhoogd indien bij de concessie waarvoor een aanvraag wordt ingediend in 2019 een winstmarge van 2% of minder is gerealiseerd.
3. De verhoging bedraagt twee procentpunt.
4. Met betrekking tot de tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, bedoeld in bijlage 2wordt een bedrag verstrekt van maximaal 110% van de geschatte kosten.
5. Bij onvoorziene omstandigheden kan dit bedrag, bedoeld in het vierde lid, op aanvraag worden verhoogd.
6. Van de kosten en opbrengsten, bedoeld in het eerste lid, worden buiten aanmerking gelaten:
a. kosten die geen betrekking hebben op het regionaal openbaar vervoer als overeengekomen in de vervoersconcessie;
b. kosten en opbrengsten van activiteiten als overeengekomen in de vervoersconcessie waarbij sprake is van 100% bekostiging door de concessieverlener; en
c. kosten die afwijken of nieuw zijn ten opzichte van 2019, tenzij deze aantoonbaar en gemotiveerd noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de vervoersconcessie en, hoewel niet vermeld in de vervoersconcessie, zijn overeengekomen met de concessieverlener.