BWBR0044221
Geldig vanaf 2020-10-17
Artikel 6
Instellingsbesluit commissie integriteit Financiën
1. De commissie is onafhankelijk, heeft een eigenstandige verantwoordelijkheid en wordt op generlei wijze aangestuurd. Om die reden is de commissie ook vrij in het vaststellen van de eigen werkwijze, zij het dat wel wordt verlangd dat de commissie bij haar werkwijze rekening houdt met de beschermingsbepalingen van hoofdstuk 13 van de cao Rijk 2020 (en opvolgende cao’s) en de BIPO voor zover het signaal afkomstig is van een betrokkene die werkzaam is bij de sector Rijk, waaronder ook het ministerie van Financiën valt. Ook dient de commissie oog te hebben voor de belangen van degenen over wie een signaal wordt afgegeven en dient zij hen te wijzen op de mogelijkheid zich te laten vergezellen, bijvoorbeeld door een gemachtigde of vertrouwenspersoon.
2. De commissie toetst of de melding voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 1en 5, derde lid.
3. Als gegevens of stukken ontbreken kan de commissie aan de melder vragen om die alsnog in te dienen.
4. De commissie voert met iedere melder een gesprek over de melding.
5. De commissie informeert de SG zo spoedig mogelijk bij een melding van een vermoeden van een misstand.
6. De commissie informeert de persoon of personen op wie de vermoede misstand of integriteitschending betrekking heeft over het feit dat er een onderzoek naar hem wordt ingesteld, bij aanvang van het onderzoek of zo spoedig mogelijk als het onderzoeksbelang dit toelaat.
7. De commissie beslist vervolgens over de wijze van behandeling en past daarbij zoveel mogelijk maatwerk toe. De leden verifiëren zo mogelijk signalen door middel van hoor en wederhoor. Over de wijze van behandeling communiceert de commissie met de melder en de betrokkene(n).
8. De commissie kan besluiten dat een melding behandeld wordt in een hoorzitting. De hoorzittingen van de commissie vinden plaats op een neutrale plaats, zijn niet openbaar en de melder is niet verplicht daar te verschijnen.
9. Indien de commissie het nodig vindt, kan zij al dan niet op grond van een daartoe strekkend verzoek betrokkene(n), derden, getuigen en/of deskundigen ter zitting horen. Indien de commissie hiervan gebruik maakt, doet zij hiervan uiterlijk tien dagen voor de hoorzitting mededeling aan de melder.
10. Van de hoorzitting zal een verslag worden gemaakt. De melder ontvangt een afschrift van het verslag en heeft de gelegenheid om binnen een daartoe gestelde termijn opmerkingen te maken op het verslag.
11. De schriftelijke correspondentie tussen de commissie en de melder zal per e-mail plaatsvinden.
12. In afwijking van het vijfde lid zal de Minister zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd bij een melding van een vermoeden van een misstand, indien dit vermoeden ziet op (een) gedraging(en) van de SG.
2. De commissie toetst of de melding voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 1en 5, derde lid.
3. Als gegevens of stukken ontbreken kan de commissie aan de melder vragen om die alsnog in te dienen.
4. De commissie voert met iedere melder een gesprek over de melding.
5. De commissie informeert de SG zo spoedig mogelijk bij een melding van een vermoeden van een misstand.
6. De commissie informeert de persoon of personen op wie de vermoede misstand of integriteitschending betrekking heeft over het feit dat er een onderzoek naar hem wordt ingesteld, bij aanvang van het onderzoek of zo spoedig mogelijk als het onderzoeksbelang dit toelaat.
7. De commissie beslist vervolgens over de wijze van behandeling en past daarbij zoveel mogelijk maatwerk toe. De leden verifiëren zo mogelijk signalen door middel van hoor en wederhoor. Over de wijze van behandeling communiceert de commissie met de melder en de betrokkene(n).
8. De commissie kan besluiten dat een melding behandeld wordt in een hoorzitting. De hoorzittingen van de commissie vinden plaats op een neutrale plaats, zijn niet openbaar en de melder is niet verplicht daar te verschijnen.
9. Indien de commissie het nodig vindt, kan zij al dan niet op grond van een daartoe strekkend verzoek betrokkene(n), derden, getuigen en/of deskundigen ter zitting horen. Indien de commissie hiervan gebruik maakt, doet zij hiervan uiterlijk tien dagen voor de hoorzitting mededeling aan de melder.
10. Van de hoorzitting zal een verslag worden gemaakt. De melder ontvangt een afschrift van het verslag en heeft de gelegenheid om binnen een daartoe gestelde termijn opmerkingen te maken op het verslag.
11. De schriftelijke correspondentie tussen de commissie en de melder zal per e-mail plaatsvinden.
12. In afwijking van het vijfde lid zal de Minister zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd bij een melding van een vermoeden van een misstand, indien dit vermoeden ziet op (een) gedraging(en) van de SG.