BWBR0044165
Geldig vanaf 2021-07-01
Artikel 3
Beleidsregel tegemoetkoming huurders, woningcorporaties en particuliere verhuurders aardbevingsgebied Groningen
1. Een aanvraag voor een tegemoetkoming wordt door de hoofdhuurder van een woningcorporatie of de woningcorporatie ingediend bij de NCG, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door de NCG vastgesteld formulier dat vanaf 1 maart 2021 beschikbaar is op de website van de NCG.
2. Bij de aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, voegt de hoofdhuurder van een woningcorporatie:
a. een verklaring van de woningcorporatie inzake de periode van zijn verblijf in de wisselwoning en indien de hoofdhuurder zelf de kosten voor nutsvoorzieningen en internetaansluiting in die wisselwoning heeft bekostigd een document waaruit dit blijkt; of
b. een machtiging om bij de woningcorporatie die de wisselwoning ter beschikking heeft gesteld na te vragen gedurende welke periode de hoofdhuurder in de wisselwoning heeft verbleven en of hij zelf de kosten voor nutsvoorzieningen en internetvoorziening heeft bekostigd.
3. Bij de aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, voegt de hoofdhuurder van een woningcorporatie:
a. een verklaring van de woningcorporatie inzake de periode waarin de versterking van zijn huurwoning heeft plaatsgevonden; of
b. een machtiging om bij de woningcorporatie na te vragen of de hoofdhuurder tijdens de versterking van zijn huurwoning in die huurwoning heeft verbleven.
4. Bij de aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, voegt de hoofdhuurder van een woningcorporatie:
a. een verklaring van de woningcorporatie dat de hoofdhuurder in de periode tussen 1 oktober 2015 en 1 november 2020 vanwege de versterking van zijn huurwoning is verhuisd naar een andere huurwoning; of
b. een machtiging om bij de woningcorporatie na te vragen of de hoofdhuurder in de periode tussen 1 oktober 2015 en 1 november 2020 vanwege de versterking van zijn huurwoning is verhuisd naar een andere huurwoning.
5. Bij de aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, voegt de hoofdhuurder van een woningcorporatie:
a. een verklaring van de woningcorporatie dat de hoofdhuurder in de periode van de versterking van zijn huurwoning zelf tijdelijk in andere huisvesting heeft voorzien; of
b. een machtiging om bij de woningcorporatie na te vragen of de hoofdhuurder tijdens de versterking van zijn huurwoning zelf tijdelijk in andere huisvesting heeft voorzien.
6. Bij een aanvraag voor een vergoeding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b of c, voegt de woningcorporatie in ieder geval:
a. een overzicht van de adressen van de woningen waarvoor de woningcorporatie aan de hoofdhuurder een vergoeding heeft verstrekt tot het moment waarop het in artikel I, onderdeel F, artikel 13j, van het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Kamerstukken 35 603) voorgestelde artikel 13j, nadat het wetsvoorstel tot wet is verheven, in werking treedt; en
b. een afschrift van het bewijs van betaling van deze kosten aan de hoofdhuurder.
7. De aanvraag voor:
a. een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt uiterlijk gedaan op 1 april 2022.
b. een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, wordt uiterlijk gedaan op 1 april 2022.
c. een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, wordt uiterlijk gedaan op 1 april 2022.
d. een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, wordt uiterlijk gedaan op 1 april 2022.
e. een vergoeding, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt uiterlijk gedaan tot aan het moment waarop artikel I, onderdeel F, artikel 13j, van het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2020 ingediende voorstel van wet tot in werking treedt.
2. Bij de aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, voegt de hoofdhuurder van een woningcorporatie:
a. een verklaring van de woningcorporatie inzake de periode van zijn verblijf in de wisselwoning en indien de hoofdhuurder zelf de kosten voor nutsvoorzieningen en internetaansluiting in die wisselwoning heeft bekostigd een document waaruit dit blijkt; of
b. een machtiging om bij de woningcorporatie die de wisselwoning ter beschikking heeft gesteld na te vragen gedurende welke periode de hoofdhuurder in de wisselwoning heeft verbleven en of hij zelf de kosten voor nutsvoorzieningen en internetvoorziening heeft bekostigd.
3. Bij de aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, voegt de hoofdhuurder van een woningcorporatie:
a. een verklaring van de woningcorporatie inzake de periode waarin de versterking van zijn huurwoning heeft plaatsgevonden; of
b. een machtiging om bij de woningcorporatie na te vragen of de hoofdhuurder tijdens de versterking van zijn huurwoning in die huurwoning heeft verbleven.
4. Bij de aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, voegt de hoofdhuurder van een woningcorporatie:
a. een verklaring van de woningcorporatie dat de hoofdhuurder in de periode tussen 1 oktober 2015 en 1 november 2020 vanwege de versterking van zijn huurwoning is verhuisd naar een andere huurwoning; of
b. een machtiging om bij de woningcorporatie na te vragen of de hoofdhuurder in de periode tussen 1 oktober 2015 en 1 november 2020 vanwege de versterking van zijn huurwoning is verhuisd naar een andere huurwoning.
5. Bij de aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, voegt de hoofdhuurder van een woningcorporatie:
a. een verklaring van de woningcorporatie dat de hoofdhuurder in de periode van de versterking van zijn huurwoning zelf tijdelijk in andere huisvesting heeft voorzien; of
b. een machtiging om bij de woningcorporatie na te vragen of de hoofdhuurder tijdens de versterking van zijn huurwoning zelf tijdelijk in andere huisvesting heeft voorzien.
6. Bij een aanvraag voor een vergoeding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b of c, voegt de woningcorporatie in ieder geval:
a. een overzicht van de adressen van de woningen waarvoor de woningcorporatie aan de hoofdhuurder een vergoeding heeft verstrekt tot het moment waarop het in artikel I, onderdeel F, artikel 13j, van het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Kamerstukken 35 603) voorgestelde artikel 13j, nadat het wetsvoorstel tot wet is verheven, in werking treedt; en
b. een afschrift van het bewijs van betaling van deze kosten aan de hoofdhuurder.
7. De aanvraag voor:
a. een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt uiterlijk gedaan op 1 april 2022.
b. een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, wordt uiterlijk gedaan op 1 april 2022.
c. een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, wordt uiterlijk gedaan op 1 april 2022.
d. een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, wordt uiterlijk gedaan op 1 april 2022.
e. een vergoeding, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt uiterlijk gedaan tot aan het moment waarop artikel I, onderdeel F, artikel 13j, van het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2020 ingediende voorstel van wet tot in werking treedt.