BWBR0043634
Geldig vanaf 2022-02-16
Artikel 1
Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. producerende BIS-instelling: voor wat betreft: 1°. hoofdstuk 3: instelling waaraan in de jaren 2017–2020 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van een of meer kernactiviteiten als bedoeld in afdeling 3.2 – met uitzondering van het daarin opgenomen artikel 3.17 – of de artikelen 3.26, 3.31, 3.35, 3.36 of 3.40 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, zoals die luidde op 11 november 2019;
2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: instelling waaraan in de jaren 2021–2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in: i. afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii. artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
i. afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii. artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
1°. hoofdstuk 3: instelling waaraan in de jaren 2017–2020 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van een of meer kernactiviteiten als bedoeld in afdeling 3.2 – met uitzondering van het daarin opgenomen artikel 3.17 – of de artikelen 3.26, 3.31, 3.35, 3.36 of 3.40 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, zoals die luidde op 11 november 2019;
2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: instelling waaraan in de jaren 2021–2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in: i. afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii. artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
i. afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii. artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
c. meerjarige fondsinstelling: voor wat betreft: 1°. paragraaf 2 van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2017–2020, waaronder in elk geval in 2020, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft: i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
2°. de paragrafen 2a, 2b en 2c van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2021–2024, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft: i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
1°. paragraaf 2 van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2017–2020, waaronder in elk geval in 2020, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft: i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
2°. de paragrafen 2a, 2b en 2c van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2021–2024, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft: i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
d. cruciale regionale instelling: museum, (pop)podium of filmtheater, niet zijnde een BIS-instelling of meerjarige fondsinstelling, met een: 1°. dragende functie in de culturele infrastructuur in de regio; en
2°. belangrijke functie in de landelijke keten;
1°. dragende functie in de culturele infrastructuur in de regio; en
2°. belangrijke functie in de landelijke keten;
e. overige OCW-cultuurinstelling: voor wat betreft: 1°. hoofdstuk 3: instelling die activiteiten uitvoert, die: i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
1°. hoofdstuk 3: instelling die activiteiten uitvoert, die: i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
f. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling: instelling waaraan voor de periode 2021–2024 een subsidie op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is geweigerd op basis van een negatief subsidieadvies met positieve beoordeling, uitgebracht door de Raad;
g. afgewezen fondsaanvrager met positieve beoordeling: instelling waaraan een meerjarige subsidie in de periode 2021–2024 op grond van een regeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub i, ii en vi, is geweigerd op basis van een negatief subsidieadvies met positieve beoordeling, uitgebracht door een door het betrokken bestuur ingestelde commissie;
h. negatief subsidieadvies met positieve beoordeling: advies om geen subsidie te verlenen, dat steunt op het oordeel dat de aanvraag van de instelling ondanks een positieve beoordeling van het daarbij behorende plan, na onderlinge weging van met elkaar concurrerende aanvragen, niet subsidiabel is;
i. reserves: vrij besteedbaar vermogen, behorende tot: 1°. de algemene reserve;
2°. het stichtingskapitaal; en
3°. het bestemmingsfonds OCW;
1°. de algemene reserve;
2°. het stichtingskapitaal; en
3°. het bestemmingsfonds OCW;
j. lopende subsidie: voor wat betreft een: 1°. producerende BIS-instelling: subsidie als bedoeld in onderdeel b;
2°. fonds: subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
3°. meerjarige fondsinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel c;
4°. overige OCW-cultuurinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel e, onder 2°;
1°. producerende BIS-instelling: subsidie als bedoeld in onderdeel b;
2°. fonds: subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
3°. meerjarige fondsinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel c;
4°. overige OCW-cultuurinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel e, onder 2°;
k. Kamerbrief van 15 april 2020: brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 april 2020 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 35 441, nr. 7);
l. Kamerbrief van 16 november 2020: brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 november 2020 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 400);
m. Kamerbrief van 10 februari 2021: brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 februari 2021 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 408);
n. Kamerbrief van 7 juni 2021: brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juni 2021 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 418);
o. museum: voor wat betreft paragraaf 3a van hoofdstuk 4: instelling waaraan subsidie is verstrekt op grond van de volgende door het bestuur van de Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed vastgestelde regelingen: 1° Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers;
2° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 40.000–100.000;
3° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 7.500 en meer bezoekers;
1° Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers;
2° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 40.000–100.000;
3° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 7.500 en meer bezoekers;
p. Kamerbrief van 31 januari 2022: brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2022 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2021/22, 32 820, nr. 458).
2. Onder eigen inkomsten worden in deze regeling de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening, verstaan:
a. publieksinkomsten; en
b. overige inkomsten, zijnde: 1°. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten;
2°. indirecte opbrengsten; en
3°. overige bijdragen.
1°. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten;
2°. indirecte opbrengsten; en
3°. overige bijdragen.
3. Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten:
a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan;
b. overige bijdragen uit publieke middelen;
c. rentebaten;
d. bijdragen in natura;
e. kapitalisatie van vrijwilligers;
f. waardering vrijkaarten; en
g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap.
a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. producerende BIS-instelling: voor wat betreft: 1°. hoofdstuk 3: instelling waaraan in de jaren 2017–2020 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van een of meer kernactiviteiten als bedoeld in afdeling 3.2 – met uitzondering van het daarin opgenomen artikel 3.17 – of de artikelen 3.26, 3.31, 3.35, 3.36 of 3.40 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, zoals die luidde op 11 november 2019;
2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: instelling waaraan in de jaren 2021–2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in: i. afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii. artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
i. afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii. artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
1°. hoofdstuk 3: instelling waaraan in de jaren 2017–2020 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van een of meer kernactiviteiten als bedoeld in afdeling 3.2 – met uitzondering van het daarin opgenomen artikel 3.17 – of de artikelen 3.26, 3.31, 3.35, 3.36 of 3.40 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid, zoals die luidde op 11 november 2019;
2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: instelling waaraan in de jaren 2021–2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in: i. afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii. artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
i. afdeling 3.2 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid;
ii. de artikelen 3.26, 3.30, 3.33, 3.34, 3.37, 3.39, 3.40, 3.41, 3.42, 3.44 of 3.51 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; of
iii. artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.
c. meerjarige fondsinstelling: voor wat betreft: 1°. paragraaf 2 van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2017–2020, waaronder in elk geval in 2020, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft: i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
2°. de paragrafen 2a, 2b en 2c van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2021–2024, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft: i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
1°. paragraaf 2 van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2017–2020, waaronder in elk geval in 2020, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft: i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
– Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2017–2020;
– Regeling literaire manifestaties en activiteiten, incidenteel en tweejarig, voor zover het betreft subsidies als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van die regeling;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
– Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie;
– Deelregeling Festivals Creatieve Industrie, voor zover het betreft subsidies die zijn verstrekt op verzoek van de minister, bij brief van 15 september 2017, met kenmerk 1238653;
2°. de paragrafen 2a, 2b en 2c van hoofdstuk 4: instelling waaraan in de jaren 2021–2024, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van, voor wat betreft: i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
i. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: de door het bestuur daarvan vastgestelde Regeling meerjarige subsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024;
ii. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
– Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017, zoals die luidde op 8 juni 2020 en voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren;
– Deelregeling Kunstpodia 2020–2024;
iii. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: het door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
– Deelreglement Filmactiviteiten, voor zover het betreft een meerjarige activiteitensubsidie in de categorie filmfestival;
– Algemeen Reglement, voor zover het betreft een subsidie aan een productiemaatschappij als bedoeld in dat reglement;
iv. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
– Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024;
v. Stichting Nederlands Letterenfonds: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
– Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024;
vi. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: de door het bestuur daarvan vastgestelde: – Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
– Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021–2024;
– Regeling 1- en 2-jarig Activiteitenprogramma;
d. cruciale regionale instelling: museum, (pop)podium of filmtheater, niet zijnde een BIS-instelling of meerjarige fondsinstelling, met een: 1°. dragende functie in de culturele infrastructuur in de regio; en
2°. belangrijke functie in de landelijke keten;
1°. dragende functie in de culturele infrastructuur in de regio; en
2°. belangrijke functie in de landelijke keten;
e. overige OCW-cultuurinstelling: voor wat betreft: 1°. hoofdstuk 3: instelling die activiteiten uitvoert, die: i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
1°. hoofdstuk 3: instelling die activiteiten uitvoert, die: i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. gelijksoortig zijn aan de kernactiviteit van een producerende BIS-instelling die een museale collectie beheert; en
ii. op structurele basis wordt gesubsidieerd met middelen uit de begrotingsartikelen 1, 3, 14, 15 en 16 behorende bij de Wet van 18 december 2019, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Stb. 2020, 18), anders dan op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
2°. de hoofdstukken 3a, 3a1 en 3a2: i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
i. instelling als bedoeld onder 1°, waarvan de in dat onderdeel bedoelde subsidie is voortgezet voor het jaar 2021; of
ii. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling, waaraan voor de periode 2021–2024 een meerjarige subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid voor de uitvoering van het plan dat hij heeft ingediend in het kader van de aanvraag voor subsidie voor voornoemde periode op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
f. afgewezen BIS-aanvrager met positieve beoordeling: instelling waaraan voor de periode 2021–2024 een subsidie op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is geweigerd op basis van een negatief subsidieadvies met positieve beoordeling, uitgebracht door de Raad;
g. afgewezen fondsaanvrager met positieve beoordeling: instelling waaraan een meerjarige subsidie in de periode 2021–2024 op grond van een regeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub i, ii en vi, is geweigerd op basis van een negatief subsidieadvies met positieve beoordeling, uitgebracht door een door het betrokken bestuur ingestelde commissie;
h. negatief subsidieadvies met positieve beoordeling: advies om geen subsidie te verlenen, dat steunt op het oordeel dat de aanvraag van de instelling ondanks een positieve beoordeling van het daarbij behorende plan, na onderlinge weging van met elkaar concurrerende aanvragen, niet subsidiabel is;
i. reserves: vrij besteedbaar vermogen, behorende tot: 1°. de algemene reserve;
2°. het stichtingskapitaal; en
3°. het bestemmingsfonds OCW;
1°. de algemene reserve;
2°. het stichtingskapitaal; en
3°. het bestemmingsfonds OCW;
j. lopende subsidie: voor wat betreft een: 1°. producerende BIS-instelling: subsidie als bedoeld in onderdeel b;
2°. fonds: subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
3°. meerjarige fondsinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel c;
4°. overige OCW-cultuurinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel e, onder 2°;
1°. producerende BIS-instelling: subsidie als bedoeld in onderdeel b;
2°. fonds: subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
3°. meerjarige fondsinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel c;
4°. overige OCW-cultuurinstelling: subsidie als bedoeld in onderdeel e, onder 2°;
k. Kamerbrief van 15 april 2020: brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 april 2020 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 35 441, nr. 7);
l. Kamerbrief van 16 november 2020: brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 november 2020 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 400);
m. Kamerbrief van 10 februari 2021: brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 februari 2021 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 408);
n. Kamerbrief van 7 juni 2021: brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juni 2021 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2020/21, 32 820, nr. 418);
o. museum: voor wat betreft paragraaf 3a van hoofdstuk 4: instelling waaraan subsidie is verstrekt op grond van de volgende door het bestuur van de Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed vastgestelde regelingen: 1° Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers;
2° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 40.000–100.000;
3° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 7.500 en meer bezoekers;
1° Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers;
2° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 40.000–100.000;
3° Compensatieregeling Coronacrisis Musea 7.500 en meer bezoekers;
p. Kamerbrief van 31 januari 2022: brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2022 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2021/22, 32 820, nr. 458).
2. Onder eigen inkomsten worden in deze regeling de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening, verstaan:
a. publieksinkomsten; en
b. overige inkomsten, zijnde: 1°. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten;
2°. indirecte opbrengsten; en
3°. overige bijdragen.
1°. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten;
2°. indirecte opbrengsten; en
3°. overige bijdragen.
3. Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten:
a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan;
b. overige bijdragen uit publieke middelen;
c. rentebaten;
d. bijdragen in natura;
e. kapitalisatie van vrijwilligers;
f. waardering vrijkaarten; en
g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap.