BWBR0043602
Geldig vanaf 2020-10-22
Artikel 3b
Regeling maatregelen Sars-CoV-2 bij nertsen
1. Het is verboden mest van nertsen te vervoeren of aan te wenden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de afvoer van mest vanaf nertsenhouderijen ten aanzien waarvan:
a. geen maatregelen als bedoeld in artikel 22 van de wet zijn genomen;
b. de resultaten van het wekelijkse onderzoek, bedoeld in artikel 3, ten minste twee achtereenvolgende weken negatief zijn; en
c. indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid.
3. De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zijn:
a. ingeval van drijfmest, wordt de mest rechtstreeks vervoerd naar: 1°. een locatie waar de mest vervolgens, zo nodig na een tussentijdse opslag op die locatie, emissie-arm wordt aangewend;
2°. een locatie met een mestopslagplaats waarin de mest vervolgens ten minste drie weken wordt opgeslagen;
3°. een biogasinstallatie waarin de mest vervolgens wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 70 graden Celsius;
4°. een daartoe door de minister geregistreerde biogasinstallatie, waarin de mest vervolgens ten minste vijf dagen blijft onder verhitting van een temperatuur van ten minste 50 graden Celsius; of
5° een composteerinstallatie waarin de mest vervolgens wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 70 graden Celsius;
1°. een locatie waar de mest vervolgens, zo nodig na een tussentijdse opslag op die locatie, emissie-arm wordt aangewend;
2°. een locatie met een mestopslagplaats waarin de mest vervolgens ten minste drie weken wordt opgeslagen;
3°. een biogasinstallatie waarin de mest vervolgens wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 70 graden Celsius;
4°. een daartoe door de minister geregistreerde biogasinstallatie, waarin de mest vervolgens ten minste vijf dagen blijft onder verhitting van een temperatuur van ten minste 50 graden Celsius; of
5° een composteerinstallatie waarin de mest vervolgens wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 70 graden Celsius;
b. ingeval van vaste mest, blijkt uit de administratie van de nertsenhouder dat de mest ten minste drie weken voor de afvoer is opgeslagen op de nertsenhouderij;
c. het vervoer, de opslag en aanwending vindt plaats overeenkomstig een hygiëneprotocol; en
d. ten minste 24 uur voorafgaand aan het vervoer zij aan de minister de volgende gegevens gemeld: 1°. de afvoerdatum;
2°. de bestemming van het vervoer;
3°. het aantal transporten;
4°. het type mest; en
5°. de hoeveelheid te vervoeren mest.
1°. de afvoerdatum;
2°. de bestemming van het vervoer;
3°. het aantal transporten;
4°. het type mest; en
5°. de hoeveelheid te vervoeren mest.
4. Het eerste lid is niet van toepassing, indien ten aanzien van de nertsenhouderij waarvan de mest afkomstig is, is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. alle op de nertsenhouderij aanwezige nertsen zijn gedood; en
b. de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2a, zijn negatief.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de afvoer van mest vanaf nertsenhouderijen ten aanzien waarvan:
a. geen maatregelen als bedoeld in artikel 22 van de wet zijn genomen;
b. de resultaten van het wekelijkse onderzoek, bedoeld in artikel 3, ten minste twee achtereenvolgende weken negatief zijn; en
c. indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid.
3. De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zijn:
a. ingeval van drijfmest, wordt de mest rechtstreeks vervoerd naar: 1°. een locatie waar de mest vervolgens, zo nodig na een tussentijdse opslag op die locatie, emissie-arm wordt aangewend;
2°. een locatie met een mestopslagplaats waarin de mest vervolgens ten minste drie weken wordt opgeslagen;
3°. een biogasinstallatie waarin de mest vervolgens wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 70 graden Celsius;
4°. een daartoe door de minister geregistreerde biogasinstallatie, waarin de mest vervolgens ten minste vijf dagen blijft onder verhitting van een temperatuur van ten minste 50 graden Celsius; of
5° een composteerinstallatie waarin de mest vervolgens wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 70 graden Celsius;
1°. een locatie waar de mest vervolgens, zo nodig na een tussentijdse opslag op die locatie, emissie-arm wordt aangewend;
2°. een locatie met een mestopslagplaats waarin de mest vervolgens ten minste drie weken wordt opgeslagen;
3°. een biogasinstallatie waarin de mest vervolgens wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 70 graden Celsius;
4°. een daartoe door de minister geregistreerde biogasinstallatie, waarin de mest vervolgens ten minste vijf dagen blijft onder verhitting van een temperatuur van ten minste 50 graden Celsius; of
5° een composteerinstallatie waarin de mest vervolgens wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 70 graden Celsius;
b. ingeval van vaste mest, blijkt uit de administratie van de nertsenhouder dat de mest ten minste drie weken voor de afvoer is opgeslagen op de nertsenhouderij;
c. het vervoer, de opslag en aanwending vindt plaats overeenkomstig een hygiëneprotocol; en
d. ten minste 24 uur voorafgaand aan het vervoer zij aan de minister de volgende gegevens gemeld: 1°. de afvoerdatum;
2°. de bestemming van het vervoer;
3°. het aantal transporten;
4°. het type mest; en
5°. de hoeveelheid te vervoeren mest.
1°. de afvoerdatum;
2°. de bestemming van het vervoer;
3°. het aantal transporten;
4°. het type mest; en
5°. de hoeveelheid te vervoeren mest.
4. Het eerste lid is niet van toepassing, indien ten aanzien van de nertsenhouderij waarvan de mest afkomstig is, is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. alle op de nertsenhouderij aanwezige nertsen zijn gedood; en
b. de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2a, zijn negatief.