BWBR0042978
Geldig vanaf 01-01-2020
Artikel 4:3
Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
De Minister betrekt bij het vormen van een oordeel als bedoeld in artikel 6:1:11 van de wet met betrekking tot de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging van geldboeten te beëindigen, in ieder geval:
a. de aard en de ernst van het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de geldboete;
b. de effecten op lopende zorgtrajecten of re-integratietrajecten, alsmede de invloed op het slagen van deze trajecten, indien de tenuitvoerlegging niet wordt beëindigd;
c. het uitblijven van het plegen van enig strafbaar feit of het overtreden van enige voorwaarde gedurende de tenuitvoerlegging van gedragsbeïnvloedende maatregelen;
d. de mate waarin de veroordeelde opgelegde voorwaarden heeft nageleefd.
a. de aard en de ernst van het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de geldboete;
b. de effecten op lopende zorgtrajecten of re-integratietrajecten, alsmede de invloed op het slagen van deze trajecten, indien de tenuitvoerlegging niet wordt beëindigd;
c. het uitblijven van het plegen van enig strafbaar feit of het overtreden van enige voorwaarde gedurende de tenuitvoerlegging van gedragsbeïnvloedende maatregelen;
d. de mate waarin de veroordeelde opgelegde voorwaarden heeft nageleefd.
- Citeren als
- Art. 4:3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0042978
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl