1. Aan de inspecteur wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen en overige handelingen te verrichten die verband houden met de
Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, de
Wet strategische diensten, de
Sanctiewet 1977, het
Besluit strategische goederen, het
Algemeen douanebesluit, de
Wet Verdrag Chemische Wapens BES, het
Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES, Verordening (EU) 2019/125 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 januari 2019 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PbEU L 30) en de
Wet openbaarheid van bestuurvoor zover samenhangend met de vorenbedoelde besluiten en handelingen.
2. De inspecteur, bedoeld in het eerste lid, kan van het aan hem verleende mandaat en machtiging, ondermandaat respectievelijk machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen. Het verlenen van ondermandaat geschiedt schriftelijk.