1. Aan de inspecteur wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de
Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, de
Wet strategische diensten, de
Sanctiewet 1977, het
Besluit strategische goederen, het
Algemeen douanebesluit, de
Wet Verdrag Chemische Wapens BESen het
Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES.
2. De minister en de Minister van Financiën maken omtrent de uitoefening door de inspecteur van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden nadere afspraken. De inspecteur neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden deze afspraken in acht.
3. In het geval de minister een mededeling aan de inspecteur doet dat een aangelegenheid als bedoeld in het eerste lid niet door hem zal worden behandeld, is ten aanzien van die aangelegenheid de directeur-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bevoegd.
4. De inspecteur kan van het aan hem verleende mandaat ondermandaat verlenen aan de door hem aangewezen aan hem ondergeschikte ambtenaren. Het verlenen van ondermandaat alsmede de wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk.
5. Een afschrift van besluiten inzake ondermandaat als bedoeld in het vorige lid wordt gezonden aan de secretaris-generaal en aan de directeur Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en aan degenen aan wie krachtens het besluit ondermandaat is verleend.