BWBR0042287
Geldig vanaf 2019-06-16
Artikel 35
Regeling interoperabiliteit en veiligheid spoorwegen
1. Met het toezicht op de naleving van de gedelegeerde handelingen die overeenkomstig artikel 27 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn of artikel 50 van de interoperabiliteitsrichtlijn zijn vastgesteld en de uitvoeringshandelingen die overeenkomstig artikel 28, derde lid van de spoorwegveiligheidsrichtlijn of artikel 51 van de interoperabiliteitsrichtlijn zijn vastgesteld, zijn belast de bij besluit van de minister daartoe aangewezen personen.
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde handelingen.
3. Het tweede lid geldt niet ten aanzien van overtreding van de volgende punten van de bijlage van Uitvoerings verordening 2019/773van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU (PbEU 2019, L 139I):
a. 4.2.1.2. en 4.2.3.4.3.;
b. 4.2.1.5.;
c. 4.2.2.1.;
d. 4.2.2.2.2.;
e. 4.2.2.7.2.;
f. 4.2.3.6.1.;
g. aanhangsel B, onderdeel 4.
4. De punten, genoemd in het derde lid, vormen een beboetbaar feit in de zin van artikel 77, eerste lid, van de wet.
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde handelingen.
3. Het tweede lid geldt niet ten aanzien van overtreding van de volgende punten van de bijlage van Uitvoerings verordening 2019/773van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU (PbEU 2019, L 139I):
a. 4.2.1.2. en 4.2.3.4.3.;
b. 4.2.1.5.;
c. 4.2.2.1.;
d. 4.2.2.2.2.;
e. 4.2.2.7.2.;
f. 4.2.3.6.1.;
g. aanhangsel B, onderdeel 4.
4. De punten, genoemd in het derde lid, vormen een beboetbaar feit in de zin van artikel 77, eerste lid, van de wet.