BWBR0042110
Geldig vanaf 2020-02-01
Artikel 9
Besluit grensoverschrijdend net Nederland – Verenigd Koninkrijk na Brexit
1. Met betrekking tot het beheersen van de gasstroom zorgen de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet ervoor dat in de overeenkomst, bedoeld in artikel 7, eerste lid:
a) voorschriften worden vastgesteld om een gecontroleerde, nauwkeurige, voorspelbare en efficiënte gasstroom over het punt mogelijk te maken;
b) voorschriften worden vastgesteld voor de sturing van de gasstroom over het punt en voor het minimaliseren van verstoringen van de stroom volgend uit het matchingsproces;
c) de beheerder of de netbeheerder van het landelijk gastransportnet wordt aangewezen voor het sturen van de gasstroom over het punt;
d) wanneer de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet er niet in slagen overeenstemming over deze aanwijzing te bereiken, wordt de beheerder danwel de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor zover hij de apparatuur voor het beheersen van de gasstroom onder zijn hoede heeft, in samenwerking met de beheerder danwel de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor zover hij de apparatuur voor het beheersen van de gasstroom niet onder zijn hoede heeft, belast met het sturen van de gasstroom over het punt.
2. Om de gasstroom te sturen, beslist de beheerder of de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, die overeenkomstig het eerste lid, onderdeel c, is aangewezen, over de hoeveelheid en de richting van de gasstroom voor het punt en voor elk uur van de gasdag en waakt ervoor dat de beheerder of de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, die niet overeenkomstig het eerste lid, onderdeel c, is aangewezen, de contractuele verplichtingen inzake druk in acht neemt:
a) op een niveau van nauwkeurigheid dat voldoende hoog ligt om de stuurafwijking te minimaliseren; en
b) op een niveau van stabiliteit dat in overeenstemming is met een efficiënt gebruik van het net en het landelijk gastransportnet.
3. De hoeveelheid en richting van de gasstroom die de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet zijn overeengekomen, weerspiegelen:
a) het resultaat van het matchingsproces;
b) de correctie van de lopende verschilrekening;
c) alle efficiënte regelingen voor het beheersen van de gasstroom tussen de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet met het oog op het op- en afregelen (ramp-up, ramp-down), de minimumstroomwaarde, het splitsen van de stroom in een virtueel punt, als dat aanwezig is, en/of de wisseling van stroomrichting of de efficiëntie van de operationele kosten;
d) alle regelingen voor het beheer van grensoverschrijdende handelsbeperkingen ten gevolge van gaskwaliteitsverschillen overeenkomstig artikel 14 en/of odorisatiepraktijken overeenkomstig artikel 15.
4. De beheerder of de netbeheerder van het landelijk gastransportnet kan ertoe besluiten de hoeveelheid gas of de richting van de gasstroom, of beide, te wijzigen wanneer dit nodig is om:
a) te voldoen aan de bepalingen van de voor het punt geldende nationale veiligheidswetgeving;
b) te voldoen aan de voorschriften die zijn neergelegd in de noodplannen en preventieve actieplannen;
c) te reageren wanneer het net of het landelijk gastransportnet getroffen wordt door een uitzonderlijke gebeurtenis.
a) voorschriften worden vastgesteld om een gecontroleerde, nauwkeurige, voorspelbare en efficiënte gasstroom over het punt mogelijk te maken;
b) voorschriften worden vastgesteld voor de sturing van de gasstroom over het punt en voor het minimaliseren van verstoringen van de stroom volgend uit het matchingsproces;
c) de beheerder of de netbeheerder van het landelijk gastransportnet wordt aangewezen voor het sturen van de gasstroom over het punt;
d) wanneer de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet er niet in slagen overeenstemming over deze aanwijzing te bereiken, wordt de beheerder danwel de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor zover hij de apparatuur voor het beheersen van de gasstroom onder zijn hoede heeft, in samenwerking met de beheerder danwel de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, voor zover hij de apparatuur voor het beheersen van de gasstroom niet onder zijn hoede heeft, belast met het sturen van de gasstroom over het punt.
2. Om de gasstroom te sturen, beslist de beheerder of de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, die overeenkomstig het eerste lid, onderdeel c, is aangewezen, over de hoeveelheid en de richting van de gasstroom voor het punt en voor elk uur van de gasdag en waakt ervoor dat de beheerder of de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, die niet overeenkomstig het eerste lid, onderdeel c, is aangewezen, de contractuele verplichtingen inzake druk in acht neemt:
a) op een niveau van nauwkeurigheid dat voldoende hoog ligt om de stuurafwijking te minimaliseren; en
b) op een niveau van stabiliteit dat in overeenstemming is met een efficiënt gebruik van het net en het landelijk gastransportnet.
3. De hoeveelheid en richting van de gasstroom die de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet zijn overeengekomen, weerspiegelen:
a) het resultaat van het matchingsproces;
b) de correctie van de lopende verschilrekening;
c) alle efficiënte regelingen voor het beheersen van de gasstroom tussen de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet met het oog op het op- en afregelen (ramp-up, ramp-down), de minimumstroomwaarde, het splitsen van de stroom in een virtueel punt, als dat aanwezig is, en/of de wisseling van stroomrichting of de efficiëntie van de operationele kosten;
d) alle regelingen voor het beheer van grensoverschrijdende handelsbeperkingen ten gevolge van gaskwaliteitsverschillen overeenkomstig artikel 14 en/of odorisatiepraktijken overeenkomstig artikel 15.
4. De beheerder of de netbeheerder van het landelijk gastransportnet kan ertoe besluiten de hoeveelheid gas of de richting van de gasstroom, of beide, te wijzigen wanneer dit nodig is om:
a) te voldoen aan de bepalingen van de voor het punt geldende nationale veiligheidswetgeving;
b) te voldoen aan de voorschriften die zijn neergelegd in de noodplannen en preventieve actieplannen;
c) te reageren wanneer het net of het landelijk gastransportnet getroffen wordt door een uitzonderlijke gebeurtenis.