BWBR0042110
Geldig vanaf 2020-02-01
Artikel 10
Besluit grensoverschrijdend net Nederland – Verenigd Koninkrijk na Brexit
1. Met betrekking tot de meetbeginselen voor volume, energie en gaskwaliteit zorgen de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet ervoor dat de voor het punt geldende meetnormen duidelijk zijn vastgesteld en omschreven in de overeenkomst, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
2. De beheerder is belast met de installatie, het beheer en het onderhoud van de meetapparatuur. Op de beheerder berust de verplichting om alle informatie en gegevens met betrekking tot de meting van gasstromen in het punt tijdig en met een vastgestelde frequentie ter beschikking te stellen aan de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de netbeheerder van het aangrenzende landelijk gastransportnet.
3. Bij de installatie, het beheer en het onderhoud van de meetapparatuur in een punt wordt rekening gehouden met de technische eisen die bij nationale regelgeving aan de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet zijn opgelegd.
4. De beheerder sluit een overeenkomst met de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, en streeft ernaar een overeenkomst te sluiten met de netbeheerder van het aangrenzende landelijk gastransportnet, over basismeetbeginselen, die minimaal de volgende elementen omvatten:
a) een beschrijving van het meetstation, met onder meer een beschrijving van de te gebruiken meet- en analyseapparatuur en nadere bijzonderheden over reserveapparatuur die bij storingen van de hoofdapparatuur kan worden gebruikt;
b) de gaskwaliteitsparameters en het te meten volume en de te meten energie-inhoud, alsook het meetbereik en de maximaal toegestane fout of onzekerheidsmarge waarbinnen de meetapparatuur werkt, de meetfrequentie, de gebruikte eenheden en overeenkomstig welke normen de metingen gebeuren, en de eventueel te gebruiken conversiefactoren;
c) de procedures en methoden die zullen worden gebruikt om de niet rechtstreeks gemeten parameters te berekenen;
d) een beschrijving van de methode die wordt gebruikt voor de berekening van de maximaal toegestane fout of onzekerheid bij de bepaling van de getransporteerde energie;
e) een beschrijving van het voor de te meten parameters gebruikte proces van gegevensvalidatie;
f) de regelingen voor de validatie van de meting en de kwaliteitsborging, inclusief de verificatie- en aanpassingsprocedures;
g) de manier waarop gegevens, inclusief frequentie en inhoud, worden uitgewisseld tussen de beheerder, de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de netbeheerder van het aangrenzende landelijk gastransportnet wat de gemeten parameters betreft;
h) de specifieke lijst van signalen en alarmen die door de beheerder die de meetapparatuur beheert, moet worden doorgegeven aan de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de netbeheerder van het aangrenzende landelijk gastransportnet;
i) de methode voor de bepaling van een meetcorrectie en alle daaropvolgende procedures die vereist kunnen zijn in een tijdelijke situatie waarin de meetapparatuur foutief blijkt te hebben gewerkt (een te lage of een te hoge meting die buiten het vastgestelde onzekerheidsbereik valt). De netbeheerder van het landelijk gastransportnet neemt dan passende actie om deze situatie te beëindigen;
j) voor de beheerder geldende regels in het geval van storing van de meetapparatuur;
k) voor de beheerder geldende regels voor: i) toegang tot de meetfaciliteit;
ii) aanvullende verificaties van de meetfaciliteit;
iii) aanpassing van de meetfaciliteit;
iv) aanwezigheid tijdens kalibratie- en onderhoudswerkzaamheden aan de meetfaciliteit.
i) toegang tot de meetfaciliteit;
ii) aanvullende verificaties van de meetfaciliteit;
iii) aanpassing van de meetfaciliteit;
iv) aanwezigheid tijdens kalibratie- en onderhoudswerkzaamheden aan de meetfaciliteit.
2. De beheerder is belast met de installatie, het beheer en het onderhoud van de meetapparatuur. Op de beheerder berust de verplichting om alle informatie en gegevens met betrekking tot de meting van gasstromen in het punt tijdig en met een vastgestelde frequentie ter beschikking te stellen aan de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de netbeheerder van het aangrenzende landelijk gastransportnet.
3. Bij de installatie, het beheer en het onderhoud van de meetapparatuur in een punt wordt rekening gehouden met de technische eisen die bij nationale regelgeving aan de beheerder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet zijn opgelegd.
4. De beheerder sluit een overeenkomst met de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, en streeft ernaar een overeenkomst te sluiten met de netbeheerder van het aangrenzende landelijk gastransportnet, over basismeetbeginselen, die minimaal de volgende elementen omvatten:
a) een beschrijving van het meetstation, met onder meer een beschrijving van de te gebruiken meet- en analyseapparatuur en nadere bijzonderheden over reserveapparatuur die bij storingen van de hoofdapparatuur kan worden gebruikt;
b) de gaskwaliteitsparameters en het te meten volume en de te meten energie-inhoud, alsook het meetbereik en de maximaal toegestane fout of onzekerheidsmarge waarbinnen de meetapparatuur werkt, de meetfrequentie, de gebruikte eenheden en overeenkomstig welke normen de metingen gebeuren, en de eventueel te gebruiken conversiefactoren;
c) de procedures en methoden die zullen worden gebruikt om de niet rechtstreeks gemeten parameters te berekenen;
d) een beschrijving van de methode die wordt gebruikt voor de berekening van de maximaal toegestane fout of onzekerheid bij de bepaling van de getransporteerde energie;
e) een beschrijving van het voor de te meten parameters gebruikte proces van gegevensvalidatie;
f) de regelingen voor de validatie van de meting en de kwaliteitsborging, inclusief de verificatie- en aanpassingsprocedures;
g) de manier waarop gegevens, inclusief frequentie en inhoud, worden uitgewisseld tussen de beheerder, de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de netbeheerder van het aangrenzende landelijk gastransportnet wat de gemeten parameters betreft;
h) de specifieke lijst van signalen en alarmen die door de beheerder die de meetapparatuur beheert, moet worden doorgegeven aan de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de netbeheerder van het aangrenzende landelijk gastransportnet;
i) de methode voor de bepaling van een meetcorrectie en alle daaropvolgende procedures die vereist kunnen zijn in een tijdelijke situatie waarin de meetapparatuur foutief blijkt te hebben gewerkt (een te lage of een te hoge meting die buiten het vastgestelde onzekerheidsbereik valt). De netbeheerder van het landelijk gastransportnet neemt dan passende actie om deze situatie te beëindigen;
j) voor de beheerder geldende regels in het geval van storing van de meetapparatuur;
k) voor de beheerder geldende regels voor: i) toegang tot de meetfaciliteit;
ii) aanvullende verificaties van de meetfaciliteit;
iii) aanpassing van de meetfaciliteit;
iv) aanwezigheid tijdens kalibratie- en onderhoudswerkzaamheden aan de meetfaciliteit.
i) toegang tot de meetfaciliteit;
ii) aanvullende verificaties van de meetfaciliteit;
iii) aanpassing van de meetfaciliteit;
iv) aanwezigheid tijdens kalibratie- en onderhoudswerkzaamheden aan de meetfaciliteit.