BWBR0042110
Geldig vanaf 2020-02-01
Artikel 33
Besluit grensoverschrijdend net Nederland – Verenigd Koninkrijk na Brexit
1. Een partij die een geschil heeft met een beheerder van een landsgrensoverschrijdend net dat de grens met het Verenigd Koninkrijk overschrijdt over de wijze waarop deze zijn taken en bevoegdheden op grond van dit besluit uitoefent, dan wel aan zijn verplichtingen op grond van dit besluit voldoet, kan een klacht bij de Autoriteit Consument en Markt indienen.
2. De Autoriteit Consument en Markt beslist op een klacht binnen twee maanden na ontvangst van de klacht. De Autoriteit Consument en Markt kan de in de eerste volzin genoemde termijn met twee maanden verlengen als zij aanvullende gegevens nodig heeft. Indien de klager daarmee instemt, is verdere verlenging mogelijk.
3. De geschilbeslechtingswerkzaamheden worden niet verricht door personen die betrokken zijn bij werkzaamheden op grond van hoofdstuk 3, paragrafen 4 tot en met 6, van de Elektriciteitswet 1998dan wel op grond van hoofdstuk 2, paragrafen 2.2. en 2.3, van de Gaswet.
4. De beslissing van de Autoriteit Consument en Markt is bindend.
5. Het indienen van een klacht als bedoeld in het eerste lid, laat onverlet elke mogelijkheid voor de desbetreffende partij een hem ter beschikking staand rechtsmiddel aan te wenden.
2. De Autoriteit Consument en Markt beslist op een klacht binnen twee maanden na ontvangst van de klacht. De Autoriteit Consument en Markt kan de in de eerste volzin genoemde termijn met twee maanden verlengen als zij aanvullende gegevens nodig heeft. Indien de klager daarmee instemt, is verdere verlenging mogelijk.
3. De geschilbeslechtingswerkzaamheden worden niet verricht door personen die betrokken zijn bij werkzaamheden op grond van hoofdstuk 3, paragrafen 4 tot en met 6, van de Elektriciteitswet 1998dan wel op grond van hoofdstuk 2, paragrafen 2.2. en 2.3, van de Gaswet.
4. De beslissing van de Autoriteit Consument en Markt is bindend.
5. Het indienen van een klacht als bedoeld in het eerste lid, laat onverlet elke mogelijkheid voor de desbetreffende partij een hem ter beschikking staand rechtsmiddel aan te wenden.