BWBR0041466
Geldig vanaf 2018-10-24
Artikel 4
Vrijstellingsregeling zoogkoeienhouderij
1. Indien een landbouwer heeft gemeld dat hij met zijn bedrijf gebruik wil maken van de vrijstelling en nadien een fosfaatrecht op grond van artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wetten aanzien van het bedrijf wordt vastgesteld, is hij slechts vrijgesteld indien onverwijld een kennisgeving van het met onmiddellijke ingang vervallen van dit fosfaatrecht wordt geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet.
2. Indien een landbouwer heeft gemeld dat hij met zijn bedrijf gebruik wil maken van de vrijstelling en nadien een hoger fosfaatrecht op grond van artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wetten aanzien van het bedrijf wordt vastgesteld dan voor die melding was vastgesteld, is hij slechts vrijgesteld indien onverwijld een kennisgeving van het met onmiddellijke ingang vervallen van deze verhoging wordt geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een fosfaatrecht dat wordt vastgesteld ten aanzien van een ander bedrijf waarvan de landbouwer bestuurder is.
2. Indien een landbouwer heeft gemeld dat hij met zijn bedrijf gebruik wil maken van de vrijstelling en nadien een hoger fosfaatrecht op grond van artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wetten aanzien van het bedrijf wordt vastgesteld dan voor die melding was vastgesteld, is hij slechts vrijgesteld indien onverwijld een kennisgeving van het met onmiddellijke ingang vervallen van deze verhoging wordt geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een fosfaatrecht dat wordt vastgesteld ten aanzien van een ander bedrijf waarvan de landbouwer bestuurder is.