1. Een landbouwer is in een kalenderjaar vrijgesteld van het verbod, bedoeld in
artikel 21b, van de wet, voor zover hij op zijn bedrijf dierlijke meststoffen produceert met jongvee voor de zoogkoeienhouderij, indien:
a. in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf niet tevens melk- of kalfkoeien of vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij worden gehouden;
b. hij ervoor zorgt dat met in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden vrouwelijke runderen nadien geen dierlijke meststoffen worden geproduceerd op een bedrijf dat melk bestemd voor consumptie of verwerking produceert;
c. in het geval de minister ten aanzien van het bedrijf een fosfaatrecht heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet, een kennisgeving van het vervallen van dit fosfaatrecht met ingang van het kalenderjaar waarin voor het eerst met het bedrijf gebruik wordt gemaakt van de vrijstelling, is geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet voorafgaand aan dat kalenderjaar, en
d. hij in het desbetreffende kalenderjaar geen vrouwelijke runderen inschaart van, of uitschaart naar, een landbouwer die niet is vrijgesteld.
2. In afwijking van het eerste lid is een landbouwer in 2018 vrijgesteld indien:
a. voor 1 januari 2019 een kennisgeving van het vervallen van het fosfaatrecht met ingang van die datum is geregistreerd;
b. aan het eerste lid, onderdelen a, b en d, is voldaan in het gedeelte van 2018 dat resteert na het tijdstip van aanmelding als bedoeld in artikel 3, derde lid, en
c. het fosfaatrecht na registratie van de kennisgeving van het vervallen van het fosfaatrecht niet overgaat naar een ander bedrijf.
3. Het eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een fosfaatrecht dat de minister overeenkomstig
artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet, heeft vastgesteld ten aanzien van een ander bedrijf waarvan de landbouwer bestuurder is geweest in de 3 jaren voorafgaand aan het jaar waarin hij voor het eerst met het bedrijf gebruik maakt van de vrijstelling.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een landbouwer die na 8 maart 2018 op zijn bedrijf dierlijke meststoffen met jongvee voor de zoogkoeienhouderij is gaan produceren, indien moet worden aangenomen dat de oprichting van dat bedrijf of het houden van jongvee voor de zoogkoeienhouderij op dat bedrijf, in overwegende mate ten doel heeft de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, en derde lid, te vermijden.