BWBR0040557
Geldig vanaf 2018-01-27
Artikel 13
Mandaatbesluit Algemene Zaken 2017
1. Het diensthoofd is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.
2. Het diensthoofd kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris of in bijzondere gevallen aan een andere functionaris.
3. Het verlenen van ondermandaat door het diensthoofd voor het aangaan van financiële materiële verplichtingen en het doen van uitgaven is enkel mogelijk aan de in bijlage 1van dit besluit genoemde, onder hem ressorterende functionarissen, met inachtneming van het aldaar genoemde maximumgrensbedrag per financiële materiële verplichting.
2. Het diensthoofd kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris of in bijzondere gevallen aan een andere functionaris.
3. Het verlenen van ondermandaat door het diensthoofd voor het aangaan van financiële materiële verplichtingen en het doen van uitgaven is enkel mogelijk aan de in bijlage 1van dit besluit genoemde, onder hem ressorterende functionarissen, met inachtneming van het aldaar genoemde maximumgrensbedrag per financiële materiële verplichting.