BWBR0040202
Geldig vanaf 2017-11-16
Artikel 5
Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2017
1. Aan de hoofden van dienst wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein, als bedoeld in de bijlagevan dit besluit, met uitzondering van aangelegenheden waarvoor mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de secretaris-generaal of aan een ander hoofd van dienst.
2. Aan de hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1° en 5°, wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor de P&O-aangelegenheden van zijn dienst.
3. Aan het hoofd van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 1°, wordt, voor zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor aangelegenheden inzake de benoeming, ontslag en vergoeding van leden van adviescommissies ter zake van subsidieverlening.
4. Aan het hoofd van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 1°, wordt mandaat en machtiging verleend inzake de benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden en de secretaris van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
5. Aan het hoofd van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 1°, wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 5.2 van de Wet dierenen het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van Europese verordeningen op het gebied van het Europese Visserijbeleid.
6. Aan de hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1º en 2º, wordt, ieder voor zich, mandaat en machtiging verleend voor het afnemen van de eed of de belofte bij de indiensttreding van een medewerker bij het kernministerie, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
7. Aan het hoofd van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 5°, wordt op zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van beleidsregels.
2. Aan de hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1° en 5°, wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor de P&O-aangelegenheden van zijn dienst.
3. Aan het hoofd van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 1°, wordt, voor zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor aangelegenheden inzake de benoeming, ontslag en vergoeding van leden van adviescommissies ter zake van subsidieverlening.
4. Aan het hoofd van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 1°, wordt mandaat en machtiging verleend inzake de benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden en de secretaris van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
5. Aan het hoofd van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 1°, wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 5.2 van de Wet dierenen het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van Europese verordeningen op het gebied van het Europese Visserijbeleid.
6. Aan de hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1º en 2º, wordt, ieder voor zich, mandaat en machtiging verleend voor het afnemen van de eed of de belofte bij de indiensttreding van een medewerker bij het kernministerie, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
7. Aan het hoofd van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 5°, wordt op zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van beleidsregels.