BWBR0040202
Geldig vanaf 2017-11-16
Artikel 10
Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2017
1. De hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1° en 5°kunnen, ieder voor zijn werkterrein, voor aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, en 6, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan hun plaatsvervangers, en wat het werkterrein van ondergeschikte organisatieonderdelen of functionarissen betreft, aan de hoofden van die onderdelen of aan die functionarissen en aan hun plaatsvervangers.
2. De hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1° en 5°, kunnen, ieder voor zich, voor P&O-aangelegenheden van hun dienst, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende medewerkers.
3. Voor de hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1° en 5°, geldt tevens dat voor P&O-aangelegenheden, geen ondermandaat, volmacht en machtiging mag worden verleend voor de volgende aangelegenheden:
a. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst of het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
b. het verlenen van buitengewoon verlof op grond van artikel 34 van het ARAR;
c. het opdragen van een andere functie op grond van artikel 57 van het ARAR;
d. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op grond van artikel 58 van het ARAR;
e. het bevorderen naar een hogere salarisschaal;
f. het toekennen van beloningen;
g. het toekennen van schadeloosstellingen op grond van artikel 69 van het ARAR;
h. het schorsen op grond van artikel 91 van het ARAR;
i. het toekennen van een terugkeergarantie;
j. het afnemen van de eed en belofte.
4. De secretaris-generaal kan aan hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1º en 5ºschriftelijk toestemming geven voor het, in afwijking van het derde lid, verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging.
2. De hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1° en 5°, kunnen, ieder voor zich, voor P&O-aangelegenheden van hun dienst, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende medewerkers.
3. Voor de hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1° en 5°, geldt tevens dat voor P&O-aangelegenheden, geen ondermandaat, volmacht en machtiging mag worden verleend voor de volgende aangelegenheden:
a. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst of het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
b. het verlenen van buitengewoon verlof op grond van artikel 34 van het ARAR;
c. het opdragen van een andere functie op grond van artikel 57 van het ARAR;
d. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op grond van artikel 58 van het ARAR;
e. het bevorderen naar een hogere salarisschaal;
f. het toekennen van beloningen;
g. het toekennen van schadeloosstellingen op grond van artikel 69 van het ARAR;
h. het schorsen op grond van artikel 91 van het ARAR;
i. het toekennen van een terugkeergarantie;
j. het afnemen van de eed en belofte.
4. De secretaris-generaal kan aan hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1º en 5ºschriftelijk toestemming geven voor het, in afwijking van het derde lid, verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging.