BWBR0040113
Geldig vanaf 2017-01-01
Artikel 6
Regeling innovatieve windenergie op zee
1. De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. na toepassing van artikel 8, tweede lid, minder dan drie punten per criterium zijn toegekend;
b. uit de haalbaarheidsstudie, bedoeld in artikel 2a van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie blijkt dat de omvang van het eigen vermogen van de aanvrager kleiner is dan 10% van de totale investeringskosten voor de desbetreffende productie-installatie;
c. niet tijdig een aanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet windenergie op zee;
d. de aanvraag niet voldoet aan de criteria, gesteld bij of krachtens artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, of tweede lid van de Wet windenergie op zee;
e. tegen de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
f. de aanvrager een onderneming als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening is.
2. De omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt bepaald overeenkomstig artikel 2a, vijfde en zesde lid van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.
a. na toepassing van artikel 8, tweede lid, minder dan drie punten per criterium zijn toegekend;
b. uit de haalbaarheidsstudie, bedoeld in artikel 2a van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie blijkt dat de omvang van het eigen vermogen van de aanvrager kleiner is dan 10% van de totale investeringskosten voor de desbetreffende productie-installatie;
c. niet tijdig een aanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet windenergie op zee;
d. de aanvraag niet voldoet aan de criteria, gesteld bij of krachtens artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, of tweede lid van de Wet windenergie op zee;
e. tegen de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
f. de aanvrager een onderneming als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening is.
2. De omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt bepaald overeenkomstig artikel 2a, vijfde en zesde lid van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.