BWBR0040113
Geldig vanaf 2017-01-01
Artikel 21
Regeling innovatieve windenergie op zee
1. De minister verstrekt ambtshalve voorschotten voor een subsidie die nog niet is vastgesteld.
2. De minister verstrekt het eerste voorschot binnen twee weken na aanvang van de activiteiten.
3. De volgende voorschotten worden verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten.
4. Als datum van aanvang van de activiteiten geldt de dag na het voldoen aan de opschortende voorwaarde bedoeld in artikel 10, tweede lid, of, indien deze later is, de datum die in het plan is opgenomen voor de start van de activiteiten.
5. Het voorschot bedraagt 90% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in aanmerking komt.
6. De minister berekent de hoogte van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag door de in de periode tussen twee mijlpalen te maken subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met het in artikel 18bepaalde subsidiepercentage en te delen door het aantal voorschotmomenten in deze periode.
7. Het geheel van voorschotten bedraagt niet meer dan het voorschotpercentage maal de maximale hoogte van de subsidie.
8. De subsidie-ontvanger meldt het de minister indien de subsidiabele kosten zoals opgenomen in de mijlpalen in het plan in het desbetreffende kwartaal meer dan 25% afwijken van de begroting.
2. De minister verstrekt het eerste voorschot binnen twee weken na aanvang van de activiteiten.
3. De volgende voorschotten worden verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten.
4. Als datum van aanvang van de activiteiten geldt de dag na het voldoen aan de opschortende voorwaarde bedoeld in artikel 10, tweede lid, of, indien deze later is, de datum die in het plan is opgenomen voor de start van de activiteiten.
5. Het voorschot bedraagt 90% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in aanmerking komt.
6. De minister berekent de hoogte van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag door de in de periode tussen twee mijlpalen te maken subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met het in artikel 18bepaalde subsidiepercentage en te delen door het aantal voorschotmomenten in deze periode.
7. Het geheel van voorschotten bedraagt niet meer dan het voorschotpercentage maal de maximale hoogte van de subsidie.
8. De subsidie-ontvanger meldt het de minister indien de subsidiabele kosten zoals opgenomen in de mijlpalen in het plan in het desbetreffende kwartaal meer dan 25% afwijken van de begroting.