BWBR0040089
Geldig vanaf 2017-10-13
Artikel 14
Regeling maatregelen laagpathogene vogelgriep Sint Philipsland 2017
1. Een houder van commercieel gehouden gevogelte brengt ten minste afscheidingen aan tussen gevogelte en andere dieren die in de inrichting aanwezig zijn.
2. Een houder van gevogelte neemt passende maatregelen om zo veel mogelijk te voorkomen dat het gevogelte in contact komt met gevogelte van een andere houder of met in het wild levende dieren of hun uitwerpselen.
3. Een passende maatregel als bedoeld in het tweede lid is ten minste het binnen een gebouw brengen en daar houden van het gevogelte.
4. Het derde lid is niet van toepassing op houders van gevogelte, behorende tot de eendvogels (Anseriformes), fazanten (Phasianidae), en de familie van struisvogels (Struthionidae), van emoes (Dromaiidae), en van nandoes (Rheidae).
2. Een houder van gevogelte neemt passende maatregelen om zo veel mogelijk te voorkomen dat het gevogelte in contact komt met gevogelte van een andere houder of met in het wild levende dieren of hun uitwerpselen.
3. Een passende maatregel als bedoeld in het tweede lid is ten minste het binnen een gebouw brengen en daar houden van het gevogelte.
4. Het derde lid is niet van toepassing op houders van gevogelte, behorende tot de eendvogels (Anseriformes), fazanten (Phasianidae), en de familie van struisvogels (Struthionidae), van emoes (Dromaiidae), en van nandoes (Rheidae).