BWBR0039466
Geldig vanaf 2017-05-01
Artikel 7
Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid bachelor medisch hulpverlener
1. De bachelor medisch hulpverlener is bevoegd tot:
a. het geven van een subcutane, intramusculaire of intraveneuze injectie;
b. het verrichten van een catheterisatie van de blaas bij volwassenen alsmede het inbrengen van een maagsonde of een infuus;
c. het verrichten van een venapunctie;
d. het verrichten van electieve cardioversie;
e. het verrichten van de volgende handelingen in het kader van acute zorg: i. het toepassen van defibrillatie;
ii. het in-, of extuberen van de luchtpijp met een orale of nasale tube;
iii. het toepassen van een drainagepunctie bij een spanningspneumathorax.
i. het toepassen van defibrillatie;
ii. het in-, of extuberen van de luchtpijp met een orale of nasale tube;
iii. het toepassen van een drainagepunctie bij een spanningspneumathorax.
2. De bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, geldt uitsluitend voor zover het betreft:
a. handelingen die vallen binnen het deskundigheidsgebied, bedoeld in artikel 6;
b. handelingen van een beperkte complexiteit;
c. routinematige handelingen;
d. handelingen waarvan de risico’s te overzien zijn;
e. handelingen die worden uitgeoefend volgens landelijke geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen.
a. het geven van een subcutane, intramusculaire of intraveneuze injectie;
b. het verrichten van een catheterisatie van de blaas bij volwassenen alsmede het inbrengen van een maagsonde of een infuus;
c. het verrichten van een venapunctie;
d. het verrichten van electieve cardioversie;
e. het verrichten van de volgende handelingen in het kader van acute zorg: i. het toepassen van defibrillatie;
ii. het in-, of extuberen van de luchtpijp met een orale of nasale tube;
iii. het toepassen van een drainagepunctie bij een spanningspneumathorax.
i. het toepassen van defibrillatie;
ii. het in-, of extuberen van de luchtpijp met een orale of nasale tube;
iii. het toepassen van een drainagepunctie bij een spanningspneumathorax.
2. De bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, geldt uitsluitend voor zover het betreft:
a. handelingen die vallen binnen het deskundigheidsgebied, bedoeld in artikel 6;
b. handelingen van een beperkte complexiteit;
c. routinematige handelingen;
d. handelingen waarvan de risico’s te overzien zijn;
e. handelingen die worden uitgeoefend volgens landelijke geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen.