BWBR0039466
Geldig vanaf 2017-05-01
Artikel 5
Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid bachelor medisch hulpverlener
1. De competentie medisch ondersteunende deskundigheid omvat de bekwaamheid om:
a. met betrekking tot veel voorkomende aandoeningen in de praktijk een bijdrage te leveren aan doeltreffende, ethisch verantwoorde diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve vaardigheden;
b. relevante informatie aangaande diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve opties op te zoeken en te integreren in de praktijk van de acute zorg, de interventie zorg en de diagnostiek;
c. doeltreffend in woord en geschrift te communiceren met andere zorgverleners over de aan hem toevertrouwde patiëntenzorg;
d. medisch ondersteunende deskundigheid te tonen in situaties die niet te maken hebben met directe patiëntenzorg.
2. De competentie communicatie omvat de bekwaamheid om:
a. met patiënten een therapeutische relatie aan te gaan dan wel te onderhouden op basis van wederzijds begrip, empathie en vertrouwen;
b. een bijdrage te leveren aan de informatieverzameling over de aandoening van de patiënt, van familie of van relevante derden uit de omgeving van de patiënt en de verzamelde informatie te integreren;
c. relevante informatie te bespreken met de patiënt, de familie of andere zorgverleners om zo optimale zorg aan de patiënt te leveren;
d. de patiënt en de bij de patiënt betrokkenen te begeleiden;
e. met diverse patiëntengroepen zoals kinderen, ouderen, mannen en vrouwen en patiënten met verschillende culturele achtergronden om te gaan;
f. op patiëntgerichte wijze de anamnese af te nemen, waarbij gelet wordt op zowel de medisch ondersteunende als op de communicatieve aspecten;
g. een goed evenwicht te bewaren tussen persoonlijke en professionele rollen en respect te tonen voor intermenselijke verschillen in professionele relaties.
3. De competentie organisatie omvat de bekwaamheid om:
a. doeltreffend gebruik te maken van informatietechnologie;
b. een visie en doelstelling te formuleren, een strategie te ontwikkelen en adequate actie te ondernemen en daarbij adequaat taken en verantwoordelijkheden te delegeren;
c. middelen effectief in te zetten voor gezondheidszorg, onderzoek en onderwijs;
d. goed geïnformeerd te zijn over het Nederlandse gezondheidszorgsysteem, de invloed hierop van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, en deze kennis doeltreffend en efficiënt te benutten voor de eigen functie en organisatie;
e. de uitgangspunten van kwaliteitszorg, zijnde bewaking, bevordering en waarborging, in de praktijk toe te passen;
f. kritische situaties en risico’s tijdig te onderkennen en hier adequaat op in te spelen.
4. De competentie samenwerking omvat de bekwaamheid om:
a. in samenspraak met de patiënt op doeltreffende wijze te komen tot samenwerking met andere zorgverleners binnen de gezondheidszorg-organisatie;
b. een doeltreffende bijdrage te leveren aan interdisciplinaire teams op het gebied van patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek.
5. De competentie kennis en wetenschap omvat de bekwaamheid om:
a. te werken aan de eigen competentieontwikkeling overeenkomstig de kwaliteitsstandaarden en normen van de beroepsgroep van bachelor medisch hulpverleners en te reflecteren op het persoonlijke en professionele functioneren in relatie tot de verschillende aspecten van de beroepsuitoefening, teneinde de beroepsuitoefening op een hoog kwaliteitsniveau te waarborgen;
b. studenten medische hulpverlening te begeleiden in de ontwikkeling van professioneel gedrag en handelen, een coachende rol te vervullen voor collega’s en collega’s in opleiding, alsmede zich te verantwoorden over de persoonlijke, maatschappelijke en wetenschappelijke mogelijkheden en grenzen en te handelen volgens professionele en ethische normen;
c. bij te dragen aan de maatschappelijke ontwikkeling en profilering van het beroep door visieontwikkeling, onderbouwing en implementatie van het medisch ondersteunend handelen.
6. De competentie maatschappelijk handelen omvat de bekwaamheid om:
a. te handelen in overeenstemming met de geldende wetgeving voor medewerkers in de gezondheidszorg;
b. de belangen van de patiënt in de zorg te behartigen door professioneel te communiceren over (voorwaarden) voor zorgbeleid met personen en instanties binnen en buiten de organisatie;
c. verantwoording af te leggen aan collega’s en management over effectiviteit en efficiency van het eigen professioneel handelen.
7. De competentie professionaliteit omvat de bekwaamheid om:
a. op een eerlijke, betrokken wijze hooggekwalificeerde zorg te leveren, met aandacht voor de integriteit van de patiënt;
b. in een cyclisch proces van kwaliteitszorg te werken aan continue toetsing en verbetering van de medische hulpverlening en organisatie van de zorg;
c. tot het initiëren en stimuleren van inhoudelijke verbeteringen en het maken van afspraken over een optimale organisatie ten behoeve van de continuïteit en kwaliteit van de medische hulpverlening;
d. nieuwe inzichten te vertalen naar de patiëntenzorg en daarbij te handelen vanuit een juist begrip van wettelijke regelingen en andere regelingen betreffende de beroepsuitoefening als bachelor medisch hulpverlener;
e. te reflecteren op de invloed van eigen attitude, normen en waarden op het eigen medisch ondersteunend handelen.
a. met betrekking tot veel voorkomende aandoeningen in de praktijk een bijdrage te leveren aan doeltreffende, ethisch verantwoorde diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve vaardigheden;
b. relevante informatie aangaande diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve opties op te zoeken en te integreren in de praktijk van de acute zorg, de interventie zorg en de diagnostiek;
c. doeltreffend in woord en geschrift te communiceren met andere zorgverleners over de aan hem toevertrouwde patiëntenzorg;
d. medisch ondersteunende deskundigheid te tonen in situaties die niet te maken hebben met directe patiëntenzorg.
2. De competentie communicatie omvat de bekwaamheid om:
a. met patiënten een therapeutische relatie aan te gaan dan wel te onderhouden op basis van wederzijds begrip, empathie en vertrouwen;
b. een bijdrage te leveren aan de informatieverzameling over de aandoening van de patiënt, van familie of van relevante derden uit de omgeving van de patiënt en de verzamelde informatie te integreren;
c. relevante informatie te bespreken met de patiënt, de familie of andere zorgverleners om zo optimale zorg aan de patiënt te leveren;
d. de patiënt en de bij de patiënt betrokkenen te begeleiden;
e. met diverse patiëntengroepen zoals kinderen, ouderen, mannen en vrouwen en patiënten met verschillende culturele achtergronden om te gaan;
f. op patiëntgerichte wijze de anamnese af te nemen, waarbij gelet wordt op zowel de medisch ondersteunende als op de communicatieve aspecten;
g. een goed evenwicht te bewaren tussen persoonlijke en professionele rollen en respect te tonen voor intermenselijke verschillen in professionele relaties.
3. De competentie organisatie omvat de bekwaamheid om:
a. doeltreffend gebruik te maken van informatietechnologie;
b. een visie en doelstelling te formuleren, een strategie te ontwikkelen en adequate actie te ondernemen en daarbij adequaat taken en verantwoordelijkheden te delegeren;
c. middelen effectief in te zetten voor gezondheidszorg, onderzoek en onderwijs;
d. goed geïnformeerd te zijn over het Nederlandse gezondheidszorgsysteem, de invloed hierop van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, en deze kennis doeltreffend en efficiënt te benutten voor de eigen functie en organisatie;
e. de uitgangspunten van kwaliteitszorg, zijnde bewaking, bevordering en waarborging, in de praktijk toe te passen;
f. kritische situaties en risico’s tijdig te onderkennen en hier adequaat op in te spelen.
4. De competentie samenwerking omvat de bekwaamheid om:
a. in samenspraak met de patiënt op doeltreffende wijze te komen tot samenwerking met andere zorgverleners binnen de gezondheidszorg-organisatie;
b. een doeltreffende bijdrage te leveren aan interdisciplinaire teams op het gebied van patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek.
5. De competentie kennis en wetenschap omvat de bekwaamheid om:
a. te werken aan de eigen competentieontwikkeling overeenkomstig de kwaliteitsstandaarden en normen van de beroepsgroep van bachelor medisch hulpverleners en te reflecteren op het persoonlijke en professionele functioneren in relatie tot de verschillende aspecten van de beroepsuitoefening, teneinde de beroepsuitoefening op een hoog kwaliteitsniveau te waarborgen;
b. studenten medische hulpverlening te begeleiden in de ontwikkeling van professioneel gedrag en handelen, een coachende rol te vervullen voor collega’s en collega’s in opleiding, alsmede zich te verantwoorden over de persoonlijke, maatschappelijke en wetenschappelijke mogelijkheden en grenzen en te handelen volgens professionele en ethische normen;
c. bij te dragen aan de maatschappelijke ontwikkeling en profilering van het beroep door visieontwikkeling, onderbouwing en implementatie van het medisch ondersteunend handelen.
6. De competentie maatschappelijk handelen omvat de bekwaamheid om:
a. te handelen in overeenstemming met de geldende wetgeving voor medewerkers in de gezondheidszorg;
b. de belangen van de patiënt in de zorg te behartigen door professioneel te communiceren over (voorwaarden) voor zorgbeleid met personen en instanties binnen en buiten de organisatie;
c. verantwoording af te leggen aan collega’s en management over effectiviteit en efficiency van het eigen professioneel handelen.
7. De competentie professionaliteit omvat de bekwaamheid om:
a. op een eerlijke, betrokken wijze hooggekwalificeerde zorg te leveren, met aandacht voor de integriteit van de patiënt;
b. in een cyclisch proces van kwaliteitszorg te werken aan continue toetsing en verbetering van de medische hulpverlening en organisatie van de zorg;
c. tot het initiëren en stimuleren van inhoudelijke verbeteringen en het maken van afspraken over een optimale organisatie ten behoeve van de continuïteit en kwaliteit van de medische hulpverlening;
d. nieuwe inzichten te vertalen naar de patiëntenzorg en daarbij te handelen vanuit een juist begrip van wettelijke regelingen en andere regelingen betreffende de beroepsuitoefening als bachelor medisch hulpverlener;
e. te reflecteren op de invloed van eigen attitude, normen en waarden op het eigen medisch ondersteunend handelen.