BWBR0038740
Geldig vanaf 2016-11-23
Artikel 6
Tijdelijke regeling aflopende en aansluitende toelage NVWA
1. De eenmalige uitkering bedraagt voor de medewerker categorie 3, die een inconveniëntentoelage heeft genoten, 35% van het totaal aan inconveniëntentoelagen waarop deze deze medewerker op grond van de Inconveniëntenregeling AID 1995 in het kalenderjaar 2011 aanspraak heeft. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal hele kalenderjaren na het einde van de aanspraak op de aflopende toelage van de medewerker categorie 3, tot en met het kalenderjaar waarin deze medewerker de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2. De eenmalige uitkering bedraagt voor de medewerker categorie 3, die een ploegendiensttoeslag heeft genoten, 35% van twaalf keer de ploegendiensttoeslag die deze medewerker gemiddeld per maand heeft ontvangen over de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan 31 december 2011. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal hele kalenderjaren na het einde van de aanspraak op de aflopende toelage van de medewerker categorie 3, tot en met het kalenderjaar waarin deze medewerker de leeftijd van 65 jaar bereikt.
3. Indien sprake is van het toekennen van een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, als bedoeld in artikel 5, vijfde en zesde lid, wordt het verschil tussen het voor de medewerker categorie 3 op 31 december 2011 geldende maximumsalaris van de salarisschaal na het toekennen, en het maximumsalaris van de salarisschaal voor het toekennen, op 50% van het totaal aan inconveniëntentoelage dan wel ploegendiensttoeslag, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, in mindering gebracht.
4. De eenmalige uitkering bedraagt maximaal het voor de medewerker categorie 2 geldende oude salaris, vermenigvuldigd met twaalf en vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
2. De eenmalige uitkering bedraagt voor de medewerker categorie 3, die een ploegendiensttoeslag heeft genoten, 35% van twaalf keer de ploegendiensttoeslag die deze medewerker gemiddeld per maand heeft ontvangen over de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan 31 december 2011. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal hele kalenderjaren na het einde van de aanspraak op de aflopende toelage van de medewerker categorie 3, tot en met het kalenderjaar waarin deze medewerker de leeftijd van 65 jaar bereikt.
3. Indien sprake is van het toekennen van een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, als bedoeld in artikel 5, vijfde en zesde lid, wordt het verschil tussen het voor de medewerker categorie 3 op 31 december 2011 geldende maximumsalaris van de salarisschaal na het toekennen, en het maximumsalaris van de salarisschaal voor het toekennen, op 50% van het totaal aan inconveniëntentoelage dan wel ploegendiensttoeslag, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, in mindering gebracht.
4. De eenmalige uitkering bedraagt maximaal het voor de medewerker categorie 2 geldende oude salaris, vermenigvuldigd met twaalf en vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.