BWBR0038065
Geldig vanaf 2016-07-01
Artikel 3.2
Regeling bijzondere bevoegdverklaringen luchtwaardigheid
1. De houder van een Part-66 AML met de bijzondere bevoegdverklaring B1.2 of B3, is tevens bevoegd werkzaamheden te verrichten waarvoor de bijzondere bevoegdverklaring A of B overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, vereist is.
2. De houder van een Part-66 AML met de bijzondere bevoegdverklaring in een categorie of subcategorie voor werkzaamheden aan luchtvaartuigen met een maximum startmassa van 5.700 kg of minder, is bevoegd dezelfde werkzaamheden als waartoe de desbetreffende Part-66 AML strekt, te verrichten en vrij te geven aan:
a. luchtvaartuigen van dezelfde categorie of subcategorie met een maximum startmassa van 5.700 kg of minder als genoemd in onderdeel a van Bijlage II bij de basisverordening;
b. amateurbouwluchtvaartuigen;
c. MLA’s;
d. MLH’s of
e. gemotoriseerde schermvliegtuigen.
3. De minister kan op aanvraag aan de houder van een Part-66 AML met de bijzondere bevoegdverklaring in een categorie of subcategorie voor werkzaamheden aan luchtvaartuigen met een maximum startmassa van 5.700 kg of meer, een bijzondere bevoegdverklaring voor werkzaamheden aan luchtvaartuigen met een maximum startmassa van 5.700 kg of meer als bedoeld in onderdeel a van Bijlage II bij de basisverordening afgeven, indien deze houder met goed gevolg een door de minister goedgekeurde training met betrekking tot dit type luchtvaartuig heeft afgesloten.
4. Nadat het type luchtvaartuig is bijgeschreven in blok XIV ‘NATIONALE BEVOEGDHEDEN’ van de Part-66 AML, kan de houder van deze bijzondere type bevoegdverklaring door een nationaal erkend onderhoudsbedrijf worden gemachtigd om namens dat bedrijf werkzaamheden uit te voeren en vrij te geven aan het desbetreffende type luchtvaartuig.
5. De houder van een Part-66 AML met de bijzondere bevoegdverklaring B1.2 of B3 voor werkzaamheden aan luchtvaartuigen met een maximum startmassa van 5.700 kg of minder is bevoegd tot het mede ondertekenen van de verklaring als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Regeling MLA’s, MLH’s en schermvliegtuigen.
2. De houder van een Part-66 AML met de bijzondere bevoegdverklaring in een categorie of subcategorie voor werkzaamheden aan luchtvaartuigen met een maximum startmassa van 5.700 kg of minder, is bevoegd dezelfde werkzaamheden als waartoe de desbetreffende Part-66 AML strekt, te verrichten en vrij te geven aan:
a. luchtvaartuigen van dezelfde categorie of subcategorie met een maximum startmassa van 5.700 kg of minder als genoemd in onderdeel a van Bijlage II bij de basisverordening;
b. amateurbouwluchtvaartuigen;
c. MLA’s;
d. MLH’s of
e. gemotoriseerde schermvliegtuigen.
3. De minister kan op aanvraag aan de houder van een Part-66 AML met de bijzondere bevoegdverklaring in een categorie of subcategorie voor werkzaamheden aan luchtvaartuigen met een maximum startmassa van 5.700 kg of meer, een bijzondere bevoegdverklaring voor werkzaamheden aan luchtvaartuigen met een maximum startmassa van 5.700 kg of meer als bedoeld in onderdeel a van Bijlage II bij de basisverordening afgeven, indien deze houder met goed gevolg een door de minister goedgekeurde training met betrekking tot dit type luchtvaartuig heeft afgesloten.
4. Nadat het type luchtvaartuig is bijgeschreven in blok XIV ‘NATIONALE BEVOEGDHEDEN’ van de Part-66 AML, kan de houder van deze bijzondere type bevoegdverklaring door een nationaal erkend onderhoudsbedrijf worden gemachtigd om namens dat bedrijf werkzaamheden uit te voeren en vrij te geven aan het desbetreffende type luchtvaartuig.
5. De houder van een Part-66 AML met de bijzondere bevoegdverklaring B1.2 of B3 voor werkzaamheden aan luchtvaartuigen met een maximum startmassa van 5.700 kg of minder is bevoegd tot het mede ondertekenen van de verklaring als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Regeling MLA’s, MLH’s en schermvliegtuigen.