BWBR0037507
Geldig vanaf 2016-01-09
Artikel 13
Besluit experiment promotieonderwijs
1. Onze Minister evalueert eind 2021 het experiment, mede op basis van de jaarverslagen, het eindverslag en de overige informatie, bedoeld in artikel 12.
2. Onze Minister onderzoekt bij de evaluatie in ieder geval:
a. of de universiteiten meer gepromoveerden hebben afgeleverd ten opzichte van de periode tussen 2010 en 2016 en zo ja of dit verschilt per onderwijsgebied;
b. of het aantal gepromoveerden en het aantal promovendi ten opzichte van de situatie op 1 januari 2016 verschilt wat betreft type, land van herkomst en onderwijsgebied;
c. of de kwaliteit van de proefschriften van promotiestudenten afwijkt van de proefschriften van andere promovendi;
d. de mate waarin het promotieonderwijs van invloed is geweest op het aantal gepromoveerden;
e. of promotieonderwijs effect heeft gehad op de verdeling van doceertaken bij de universiteit; en
f. het effect van het experiment op de werking van het profileringsfonds.
3. Bij de evaluatie worden de opvattingen van het college voor promoties, promotoren, docenten, promotiestudenten, andere promovendi, de medezeggenschapsorganen, bedoeld in artikel 11, en de belangenorganisaties betrokken, waarbij in het bijzonder wordt gewogen:
a. de opvatting van al dan niet gepromoveerde promotiestudenten over de mogelijkheid om zelf een promotieonderwerp te kiezen;
b. de opvatting van gepromoveerde promotiestudenten, werknemer-promovendi en de universiteiten over de aansluiting op de arbeidsmarkt; en
c. hoe de verschillende soorten gepromoveerden hun status binnen de universiteit en de financiële positie hebben ervaren.
4. Onze Minister voert twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit een tussentijdse evaluatie uit.
2. Onze Minister onderzoekt bij de evaluatie in ieder geval:
a. of de universiteiten meer gepromoveerden hebben afgeleverd ten opzichte van de periode tussen 2010 en 2016 en zo ja of dit verschilt per onderwijsgebied;
b. of het aantal gepromoveerden en het aantal promovendi ten opzichte van de situatie op 1 januari 2016 verschilt wat betreft type, land van herkomst en onderwijsgebied;
c. of de kwaliteit van de proefschriften van promotiestudenten afwijkt van de proefschriften van andere promovendi;
d. de mate waarin het promotieonderwijs van invloed is geweest op het aantal gepromoveerden;
e. of promotieonderwijs effect heeft gehad op de verdeling van doceertaken bij de universiteit; en
f. het effect van het experiment op de werking van het profileringsfonds.
3. Bij de evaluatie worden de opvattingen van het college voor promoties, promotoren, docenten, promotiestudenten, andere promovendi, de medezeggenschapsorganen, bedoeld in artikel 11, en de belangenorganisaties betrokken, waarbij in het bijzonder wordt gewogen:
a. de opvatting van al dan niet gepromoveerde promotiestudenten over de mogelijkheid om zelf een promotieonderwerp te kiezen;
b. de opvatting van gepromoveerde promotiestudenten, werknemer-promovendi en de universiteiten over de aansluiting op de arbeidsmarkt; en
c. hoe de verschillende soorten gepromoveerden hun status binnen de universiteit en de financiële positie hebben ervaren.
4. Onze Minister voert twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit een tussentijdse evaluatie uit.