BWBR0037242
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 4
Besluit experiment regelluwe scholen PO/VO
1. Een bevoegd gezag kan, met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid en van artikel 5, ten aanzien van een regelluwe school afwijken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47en 48, en artikel 148 van de WPOen van titel II, afdeling I, hoofdstuk I, en artikel 99 van de WVOen de daarop berustende bepalingen.
2. Een concrete afwijking als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats indien:
a. de regelluwe school redelijkerwijs aannemelijk maakt dat die afwijking leidt tot verbetering van de kwaliteit of, bij ten minste een gelijkblijvende kwaliteit, de doelmatigheid van het onderwijs; en
b. de medezeggenschapsraad instemt met de concrete afwijking.
3. Een concrete afwijking als bedoeld in het eerste lid is niet toegestaan indien:
a. de belangen van aan de school verbonden personen of van derden daardoor onevenredig kunnen worden geschaad;
b. de toegankelijkheid van het onderwijs daardoor vermindert;
c. de afwijking leidt tot een onevenredige verzwaring van uitvoeringslasten voor Onze Minister; of
d. de afwijking onomkeerbaar is waardoor na afloop van deelname aan het experiment terugkeer naar de oude situatie onmogelijk wordt.
4. Teneinde de leerling in staat te stellen een ononderbroken onderwijsloopbaan te volgen blijft het bevoegd gezag dat toepassing geeft aan het eerste lid gehouden:
a. de centrale eindtoets, bedoeld in artikel 9b van de WPO, af te nemen en een schooladvies als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de WPO vast te stellen voor zover het een school voor basisonderwijs betreft; of
b. artikel 29, eerste lid, van de WVO toe te passen en te waarborgen dat het diploma of het getuigschrift, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de WVO, zijn maatschappelijke waarde behoudt voor zover het een school voor voortgezet onderwijs betreft.
2. Een concrete afwijking als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats indien:
a. de regelluwe school redelijkerwijs aannemelijk maakt dat die afwijking leidt tot verbetering van de kwaliteit of, bij ten minste een gelijkblijvende kwaliteit, de doelmatigheid van het onderwijs; en
b. de medezeggenschapsraad instemt met de concrete afwijking.
3. Een concrete afwijking als bedoeld in het eerste lid is niet toegestaan indien:
a. de belangen van aan de school verbonden personen of van derden daardoor onevenredig kunnen worden geschaad;
b. de toegankelijkheid van het onderwijs daardoor vermindert;
c. de afwijking leidt tot een onevenredige verzwaring van uitvoeringslasten voor Onze Minister; of
d. de afwijking onomkeerbaar is waardoor na afloop van deelname aan het experiment terugkeer naar de oude situatie onmogelijk wordt.
4. Teneinde de leerling in staat te stellen een ononderbroken onderwijsloopbaan te volgen blijft het bevoegd gezag dat toepassing geeft aan het eerste lid gehouden:
a. de centrale eindtoets, bedoeld in artikel 9b van de WPO, af te nemen en een schooladvies als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de WPO vast te stellen voor zover het een school voor basisonderwijs betreft; of
b. artikel 29, eerste lid, van de WVO toe te passen en te waarborgen dat het diploma of het getuigschrift, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de WVO, zijn maatschappelijke waarde behoudt voor zover het een school voor voortgezet onderwijs betreft.