BWBR0037026
Geldig vanaf 2001-11-23
Artikel 7
Regeling capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot
1. Ten aanzien van een binnenschip dat wordt gesloopt:
a. licht de eigenaar van het binnenschip de Minister ten minste twee en zeventig uur, voordat met de daadwerkelijke sloop wordt aangevangen, daaromtrent in;
b. is de eigenaar van het binnenschip niet gerechtigd om de romp van het binnenschip te vervreemden;
c. laat de eigenaar van het binnenschip het binnenschip slopen overeenkomstig de aanwijzingen van een ambtenaar als bedoeld in artikel 7, onderdeel c, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot.
2. De eigenaar van een binnenschip levert na de daadwerkelijke sloop de volgende bescheiden bij de Minister in:
a. een door de eigenaar van het binnenschip, de sloper en een ambtenaar als bedoeld in artikel 7, onderdeel c, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot naar waarheid ingevulde en ondertekende verklaring, dat de romp van het binnenschip onherstelbaar is verschroot of, wanneer het een duwboot betreft, dat de romp en de motor onherstelbaar zijn vernietigd;
b. een door de Bewaarder der hypotheken, van het kadaster en der scheepsbewijzen afgegeven gewaarmerkt bewijs van doorhaling van de teboekstelling van het binnenschip;
c. de meetbrief van het binnenschip als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978;
d. het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Binnenschepenwet, dan wel het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 1.03, eerste lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, dan wel het certificaat afgegeven krachtens artikel 3, tweede lid, van de Schepenwet, dan wel het document, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Binnenschepenwet; en
e. voor zover van toepassing met betrekking tot het desbetreffende binnenschip: 1. de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart;
2. het vergunning- of inschrijvingsbewijs, bedoeld in artikel 22, onderscheidenlijk 46 van de Wet vervoer binnenvaart, indien verstrekt;
3. de bescheiden betreffende de stoomketels en andere onder druk staande vaten;
4. het attest betreffende de installaties voor vloeibaar gemaakte gassen;
5. de bescheiden vereist door het ADNR;
6. het vaartijdenboek; en
7. het olie-afgifteboekje.
1. de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart;
2. het vergunning- of inschrijvingsbewijs, bedoeld in artikel 22, onderscheidenlijk 46 van de Wet vervoer binnenvaart, indien verstrekt;
3. de bescheiden betreffende de stoomketels en andere onder druk staande vaten;
4. het attest betreffende de installaties voor vloeibaar gemaakte gassen;
5. de bescheiden vereist door het ADNR;
6. het vaartijdenboek; en
7. het olie-afgifteboekje.
3. In het geval de romp van een binnenschip onherstelbaar is verschroot of, wanneer het een duwboot betreft, de romp en de motor onherstelbaar zijn vernietigd in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland, is het eerste lid niet van toepassing en levert de eigenaar in afwijking van het tweede lid, onderdeel a, na de daadwerkelijke sloop een door de bevoegde autoriteit van het desbetreffende land afgegeven verklaring in omtrent de onherstelbare verschroting van de romp van het binnenschip of, wanneer het een duwboot betreft, de onherstelbare vernietiging van de romp en de motor.
a. licht de eigenaar van het binnenschip de Minister ten minste twee en zeventig uur, voordat met de daadwerkelijke sloop wordt aangevangen, daaromtrent in;
b. is de eigenaar van het binnenschip niet gerechtigd om de romp van het binnenschip te vervreemden;
c. laat de eigenaar van het binnenschip het binnenschip slopen overeenkomstig de aanwijzingen van een ambtenaar als bedoeld in artikel 7, onderdeel c, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot.
2. De eigenaar van een binnenschip levert na de daadwerkelijke sloop de volgende bescheiden bij de Minister in:
a. een door de eigenaar van het binnenschip, de sloper en een ambtenaar als bedoeld in artikel 7, onderdeel c, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot naar waarheid ingevulde en ondertekende verklaring, dat de romp van het binnenschip onherstelbaar is verschroot of, wanneer het een duwboot betreft, dat de romp en de motor onherstelbaar zijn vernietigd;
b. een door de Bewaarder der hypotheken, van het kadaster en der scheepsbewijzen afgegeven gewaarmerkt bewijs van doorhaling van de teboekstelling van het binnenschip;
c. de meetbrief van het binnenschip als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978;
d. het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Binnenschepenwet, dan wel het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 1.03, eerste lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, dan wel het certificaat afgegeven krachtens artikel 3, tweede lid, van de Schepenwet, dan wel het document, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Binnenschepenwet; en
e. voor zover van toepassing met betrekking tot het desbetreffende binnenschip: 1. de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart;
2. het vergunning- of inschrijvingsbewijs, bedoeld in artikel 22, onderscheidenlijk 46 van de Wet vervoer binnenvaart, indien verstrekt;
3. de bescheiden betreffende de stoomketels en andere onder druk staande vaten;
4. het attest betreffende de installaties voor vloeibaar gemaakte gassen;
5. de bescheiden vereist door het ADNR;
6. het vaartijdenboek; en
7. het olie-afgifteboekje.
1. de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart;
2. het vergunning- of inschrijvingsbewijs, bedoeld in artikel 22, onderscheidenlijk 46 van de Wet vervoer binnenvaart, indien verstrekt;
3. de bescheiden betreffende de stoomketels en andere onder druk staande vaten;
4. het attest betreffende de installaties voor vloeibaar gemaakte gassen;
5. de bescheiden vereist door het ADNR;
6. het vaartijdenboek; en
7. het olie-afgifteboekje.
3. In het geval de romp van een binnenschip onherstelbaar is verschroot of, wanneer het een duwboot betreft, de romp en de motor onherstelbaar zijn vernietigd in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland, is het eerste lid niet van toepassing en levert de eigenaar in afwijking van het tweede lid, onderdeel a, na de daadwerkelijke sloop een door de bevoegde autoriteit van het desbetreffende land afgegeven verklaring in omtrent de onherstelbare verschroting van de romp van het binnenschip of, wanneer het een duwboot betreft, de onherstelbare vernietiging van de romp en de motor.